CAL, NAAR HET NOORDEN REIZEND
1
Cal reisde de hele nacht door naar het noorden. Het was
vermoeiend, maar hij gaf niet op. Misschien bleven zijn zintuigen
zo actief door het fruit. Of door een nieuwe doelbewustheid. Hij
bleef nadenken, nam instinctief besluiten over de te volgen
weg.
Werd hij nu gestuurd door hetzelfde gevoel dat de duiven eens
hadden gekend? Een gedroomd gevoel dat niet door rede of intellect
gestuurd kon worden? Het instinctieve weten hoe je naar huis moest
gaan? Dat gevoel had hij nu in ieder geval. Dat hij een vogel was
geworden en zich niet oriënteerde aan de hand van de sterren (die
achter wolken verdwenen waren), maar domweg door het intense
verlangen naar huis te gaan, naar de boomgaard waar hij te midden
van een kring liefhebbende gezichten het gedicht van Maffe Mooney
had gedeclameerd.
Terwijl hij verder reed, probeerde hij zich delen van andere
gedichten te herinneren, zodat hij de volgende keer iets nieuws kon
declameren. Hij herinnerde zich kleine versjes uit zijn jeugd, die
hij eerder vanbuiten had geleerd vanwege hun klank dan om hun
betekenis.
De naakte hemel komt en vertrekt Spuugt zeeën uit, heeft rozen
verwekt, Geeft ons jassen aan van regen en wind En trekt ze weer
uit, al even gezwind.
Hij kon zich nu net zomin als vroeger voorstellen wat ze
precies betekenden, maar hij herinnerde ze zich nu heel
duidelijk.
Sommige waren bitter:
De pest van een familie
Is geen aangeboren ziekte
Maar voeten die opnieuw in de sporen treden Van mensen die
vooraf gegaan zijn aan het heden.
Hij herinnerde zich ook fragmenten van gedichten die hij ofwel
vergeten was, of nooit helemaal van buiten had gekend. Twee regels
kwamen telkens terug:
0, wat houd ik veel van de bonte paarden! De beste van
allemaal, de bonte paarden.
Dat waren de laatste regels van een of ander gedicht, nam hij
aan, maar van welk gedicht kon hij zich niet herinneren.
Hij herinnerde zich nog vele andere fragmenten. Onder het
rijden declameerde hij voortdurend, bijschavend, op andere woorden
de nadruk leggend, een ander ritme kiezend.
Hij werd daar niet toe aangemoedigd door de stem van de
dichter in zijn achterhoofd; die man hield zijn mond. Of was het zo
dat hij en Maffe Mooney uiteindelijk met een en dezelfde stem
spraken?
2
Om ongeveer half drie 's nachts reed hij de grens van
Schotland over en bleef verder naar het noorden gaan. Het landschap
werd heuvelachtiger en steeds dunner bevolkt. Hij kreeg honger;
bovendien gingen zijn spieren zeer doen na zoveel uren
ononderbroken rijden, maar slechts de ondergang van de wereld zou
hem er nu toe hebben kunnen brengen vaart te minderen of te
stoppen. Door iedere kilometer die hij reed, kwam hij dichter bij
het Wonderland waarin hij een !even zou kunnen leiden waar hij al
veel te lang op had moeten wachten.