DE NOMADEN
1
De winter was moeilijk voor Cal, maar bracht voor Suzanna
gevaren met zich mee die veel erger waren dan verveling en nare
dromen. Die gevaren waren begonnen op de dag na de nacht van de
Fuga, toen zij en de gebroeders Peverelli op het nippertje aan
Shadwell waren ontsnapt. Sinds die tijd hadden zij en Jerichau, die
zich in de buurt van het huis van Shearman weer bij haar had
gevoegd, vrijwel voortdurend in levensgevaar verkeerd.
Voor dat alles, en nog heel wat meer, had men haar
gewaarschuwd in Capra's Huis. Maar van alles waarover haar was
verteld, had de Gesel de meeste indruk op haar gemaakt. De leden
van de Raad waren bleek geworden toen ze vertelden hoe dicht de
Families een totale vernietiging nabij waren geweest. En hoewel de
vijanden die haar nu op de hielen zaten — Shadwell en Hobart — van
een heel ander slag waren, kon ze niets anders doen dan geloven dat
zij en de Gesel aan dezelfde giftige aarde ontsproten waren. Ze
waren allemaal op hun eigen manier vijanden van het leven.
En ze wisten geen van allen van ophouden. Het was vermoeiend
de Verkoper en diens nieuwe bondgenoot voortdurend een stap voor te
blijven. De eerste dag hadden zij en Jerichau een paar uur
voorsprong gekregen, toen de gebroeders met succes voor een vals
spoor hadden gezorgd, maar rond een uur of twaalf had Hobart het
juiste spoor weer gevonden. Ze had de stad die middag wel moeten
verlaten, in een tweedehands auto die ze had gekocht om de
politiewagen die ze hadden gestolen te vervangen. Ze wist dat het
gebruik van haar eigen auto net zoiets zou zijn als het uitzenden
van rooksignalen.
Een feit verbaasde haar: er was op die dag en de dagen daarna
geen spoor te bekennen van Immacolata. Was het mogelijk dat de
Incantatrix en haar zusters er de voorkeur aan hadden gegeven in
het tapijt te blijven; of daar wellicht tegen hun zin in gevangen
zaten? Misschien was dat te veel om op te mogen hopen. Toch gaf het
menstruüm, dat ze steeds beter onder controle kon houden en
gebruiken, op geen enkel moment blijk van Immacolata's
aanwezigheid. Die eerste weken bewaarde Jerichau een eerbiedige
afstand, weken die zij wellicht niet zo makkelijk maakte door
het feit dat het menstruüm haar zo vaak bezighield. Hij kon haar
niet helpen om de werking ervan te leren begrijpen; de kracht die
zij bezat was voor hem een mysterie; zijn mannelijkheid was er bang
voor. Maar geleidelijk aan overtuigde ze hem ervan dat het
menstruüm noch zij (als zij als afzonderlijke eenheden konden
worden beschouwd) hem ook maar enigermate een kwaad hart
toedroegen, en toen werd hij iets minder bang van haar kracht. Ze
was zelfs in staat hem te vertellen hoe ze voor het eerst toegang
had gekregen tot het menstruüm en hoe dat daarna was overgestroomd
in Cal. Ze was dankbaar voor de kans over die gebeurtenissen te
praten — ze had er al te lang over moeten zwijgen. Hij kon
nauwelijks een van haar vragen beantwoorden, maar aIleen het
vertellen erover leek haar onrust en zorgen te doen afnemen. En hoe
minder zorgen ze zich maakte, hoe meer het menstruüm liet blijken
wat het waard was. Het gaf haar een macht die in die weken van
onschatbare waarde bleek te zijn; een voorspellend vermogen dat
haar in staat stelde vaag in de toekomst te kijken. Ze had Hobarts
gezicht gezien, op de trap buiten de kamer waar zij zich verborgen
hadden, en had geweten dat hij daar binnen korte tijd ook werkelijk
zou staan. Soms zag ze ook Shadwell, maar meestal was het Hobart,
zijn ogen wanhopig, zijn smalle mond haar naam vormend. Natuurlijk
was dat een signaal om verder te gaan, overdag of 's nachts. Hun
koffers pakken en het tapijt, en verder gaan. Ze had ook andere
talenten die allemaal hun oorsprong vonden in het menstruüm. Ze kon
de lichten zien die Jerichau haar voor het eerst had laten zien in
Lord Street; na een opmerkelijk korte tijd vielen die haar
eigenlijk niet eens meer op, waren ze niets anders geworden dan een
brokje informatie — net zoals de gesprekstoon van iemand, of een
gezichtsuitdrukking — dat ze gebruikte om de stemming van een
onbekende te peilen. En ze had nog een talent, dat het midden hield
tussen voorgevoelens en het zien van kransen: ze kon de gevolgen
van natuurlijke processen zien. Ze zag niet alleen een bloemknop,
maar ook de bloesem waarin die in de lente zou veranderen en als ze
nog wat beter haar best deed, het fruit dat daar uiteindelijk uit
zou voortkomen. Dat zien van het potentiele had verschillende
consequenties. In de eerste plaats at ze geen eieren meer. In de
tweede plaats merkte ze dat ze zich verzette tegen een verleidelijk
fatalisme dat haar, als ze zich er niet tegen had verzet, wellicht
had doen drijven op een zee van onvermijdelijkheden, rustig
afwachtend welke kant die haar mee op zou nemen.
Jerichau had haar geholpen dat gevaarlijke tij te ontlopen,
door zijn grenzeloze enthousiasme voor het zijn en doen in het
leven. Hoewel de bloesem en het verwelken van de bloesem
onvermijdelijk waren, konden mensen en Zieners keuzen maken voor ze
stierven; wegen konden worden ingeslagen, wegen konden worden
genegeerd.
Een van die keuzen was metgezellen blijven of gelieven worden.
Ze kozen ervoor gelieven te worden, hoewel dat zo natuurlijk
gebeurde dat Suzanna het moment waarop nauwelijks kon bepalen. Ze
hadden er in ieder geval nooit expliciet over gesproken, hoewel het
waarschijnlijk wel in de lucht had gezeten na dat gesprek op het
veld bij Capra's Huis. Het leek gewoon juist dat ze troost zochten
bij elkaar. Hij was een ervaren minnaar, reageerde op subtiele
veranderingen in haar stemming; hij kon het ene moment schaterend
lachen, het andere doodernstig zijn.
Hij was ook, tot haar grote vreugde, een briljante dief.
Ondanks de wisselvalligheden van een leven op de vlucht, aten ze
(en reisden ze) als vorsten, domweg omdat zijn vingers zo snel
waren. Ze was er niet zeker van hoe hij erin slaagde zo succesvol
te zijn — of hij door een tovertruc iets kon doen met de ogen van
toekijkende mensen of dat hij domweg een geboren dief was. In ieder
geval kon hij alles stelen, klein of groot, en er ging vrijwel Been
dag voorbij dat ze niet de een of andere dure delicatesse konden
proeven of zich niet konden overgeven aan hun net ontdekte
hartstocht voor champagne.
Ook in praktisch opzicht konden ze er hun voordeel mee doen,
want ze konden zo vaak ze wilden van auto wisselen en lieten een
spoor van verlaten voertuigen achter zich.
Ze gingen niet een bepaalde kant op; ze reden domweg
instinctief. Als je een vaste plaats van bestemming voor ogen had,
zei Jerichau, werd je vrijwel zeker gepakt. 'Ik ben nooit van plan
te stelen,' legde hij haar op een dag uit. 'Ik doe het gewoon en
daardoor weet niemand wat ik van zins ben, omdat ik dat ook niet
weet.' Die filosofie stond haar wel aan; hij deed een beroep op
haar gevoel voor humor. Als ze ooit terugkeerde naar Londen, naar
haar klei en haar bakoventje, zou ze eens kijken of dat idee ook
voor kunst zinnig was. Misschien had je alles pas echt in de hand
als je jezelf liet gaan. Wat voor potten zou ze maken als ze niet
probeerde daarover na te denken? Maar die truc ontdeed hen niet van
hun achtervolgers, hield die alleen op een afstandje. En meerdere
malen werd die afstand onaangenaam klein.
2
Ze waren twee dagen in Newcastle, in een klein hotel aan
Rudyard Street. Het regende nu al een week lang voortdurend en ze
hadden de mogelijkheid besproken om het land te verlaten, naar een
plaats te gaan waar het zonniger was. Maar aan een dergelijke
beslissing kleefden serieuze problemen. In de eerste plaats had
Jerichau geen paspoort en iedere poging om er een voor hem te
krijgen, zou ongewenste aandacht op hen beiden vestigen. In de
tweede plaats was het mogelijk dat Hobart havens en vliegvelden op
hun bestaan attent had gemaakt. En in de derde plaats zou het
tapijt zich moeilijk laten vervoeren als ze op reis konden gaan.
Dat zouden ze vrijwel zeker niet voortdurend in de gaten kunnen
houden en Suzanna was niet bereid dat risico te nemen.
Terwijl ze een pizza aten en champagne dronken en de regen
tegen de ramen sloeg, discussieerden ze daar verder over.
En toen voelde ze het gekriebel in haar buik, dat ze had
geleerd als een voorteken te interpreteren. Ze keek naar de deur en
een misselijkmakend moment dacht ze dat het menstruüm te laat was
gekomen met zijn waarschuwing, want ze zag die deur opengaan en
Hobart naar haar staren.
Vat is er aan de hand?' vroeg Jerichau.
Zijn woorden deden haar haar vergissing inzien. De geest die
ze zag, was solider dan ooit, hetgeen waarschijnlijk betekende dat
de gebeurtenis die hij voorspelde, heel dichtbij was.
`Hobart,' zei ze. 'En ik denk niet dat we veel tijd
hebben.'
Hij trok een triest gezicht, maar twijfelde niet aan haar
opmerking. Als ze zei dat Hobart heel dicht in de buurt was, was
hij dat ook. Zij was de waarzegster geworden; de heks; ze kon de
lucht lezen en kwam dan altijd met slecht nieuws.
Opstappen viel door het tapijt niet mee. Iedere keer als ze
ergens overnachtten, moesten ze de eigenaar of manager ervan
overtuigen dat her tapijt mee moest naar hun kamer. Als ze weer
weggingen, moest het weer naar het voertuig worden gedragen dat ze
die dag zouden gebruiken. En dat alles trok onwelkome aandacht. Een
alternatief was er echter niet. Niemand had ooit beloofd dat de
Hemel een lichte last zou zijn.
3
Nog geen halfuur later duwde Hobart de deur van de hotelsuite
open. De kamer was nog warm door de adem van de vrouw. Zij en haar
neger waren echter vertrokken.
Weer! Hoeveel keren had hij de laatste maand niet in hun hol
gestaan en dezelfde lucht ingeademd als zij, en de vorm van haar
gestalte in de matras gezien? Maar iedere keer te laat. Ze waren
hem altijd een stap voor.
Hij zou geen rustige nachten of vredige dagen kennen voordat
hij haar gevangen had. Haar gevangenneming, en haar bestraffing,
waren een obsessie voor hem geworden.
Hij wist maar at te goed dat zij in deze decadente tijd, nu
iedere perversie wel apologeten had, welbespraakt zou worden
verdedigd. Daarom was hij persoonlijk naar haar op zoek, hij en
zijn paar mensen, zodat hij haar het ware gezicht van de wet kon
laten zien voordat de liberalen voor haar kwamen pleiten. Ze zou
moeten boeten voor wat ze zijn helden had aangedaan. Ze zou om
genade smeken, en hij zou sterk zijn, en doof voor haar
smeekbeden.
En natuurlijk had hij nu een bondgenoot: Shadwell.
Onder zijn superieuren was er geen man die hij zozeer
vertrouwde als Shadwell; ze waren gelijkgestemd. Daar putte hij
kracht uit.
En merkwaardigerwijze putte hij ook kracht uit het bock, het
codeboek dat hij haar had afgenomen. Hij had het uitgebreid
bestudeerd; het papier en de manier waarop het was ingebonden; hij
had alles geanalyseerd, zoekend naar een verborgen betekenis. Hij
had niets kunnen vinden. Dus waren de woorden en plaatjes
overgebleven. Ook die waren door experts onder de loep genomen. De
verhalen leken niets anders dan gewone sprookjes te zijn. Ook de
illustraties leken onschuldig.
Maar hij liet zich geen rad voor ogen draaien. Hij twijfelde
er geen seconde aan dat het bock meer betekende dan Er was eens.
Als hij de vrouw eindelijk te pakken had, zou hij die betekenis uit
haar branden en geen enkele slappeling zou hem daarvan kunnen
weerhouden.
4
Ze waren na Newcastle een stuk voorzichtiger geworden. Ze
gingen niet naar de grote steden, waar de politie in groten getale
aanwezig was, maar zochten kleinere leefgemeenschappen op. Dat had
natuurlijk ook nadelen. De komst van twee onbekenden met een tapijt
riep nieuwsgierigheid en vragen op.
Maar de verandering van tactiek had wel succes. Nu ze nooit
langer dan zesendertig uur op dezelfde plaats bleven, en
willekeurig van het ene naar het andere stadje en van het ene naar
het andere dorp trokken, werd het spoor kouder. Dagen waarop ze
niet door de bloedhonden achtervolgd werden, veranderden in weken
en het leek soms bijna wel alsof hun achtervolgers het hadden
opgegeven.
In die tijd dacht Suzanna vaak aan Cal. Er was zoveel gebeurd
sinds die dag bij de Mersey, toen hij had gezegd dat hij van haar
hield. Ze had zich vaak afgevraagd in welke mate zijn gevoelens
waren beïnvloed door het onbewuste weten dat het menstruüm hem had
aangeraakt, in hem was gestroomd, en in welke mate er sprake was
geweest van liefde in de conventionele betekenis van het woord.
Soms verlangde ze ernaar de telefoon te pakken en hem te spreken,
en verschillende keren had ze ook geprobeerd dat te doen. Belette
paranoia het haar contact met hem te zoeken, of was er een ander op
de lijn die het gesprek kon afluisteren, zoals ze instinctief
aanvoelde? Toen ze de vierde en de vijfde maal had gebeld, werd er
niet eens opgenomen door Cal, maar door een vrouw die wilde weten
met wie ze sprak, en die dreigde haar aan te geven toen Suzanna
bleef zwijgen. Ze had daarna niet meer gebeld; het was domweg het
risico niet waard.
Jerichau had er een mening over.
`Mooney is een Koekoek,' zei hij als Cats naam ter sprake
kwam. moet hem vergeten.'
`Wit je daarmee zeggen dat je niets waard bent als je een
Koekoek bent?' zei ze. 'En ik dan?'
`Jij hoort nu bij ons,' antwoordde hij. `Jij bent een
Ziener.'
`Er is zoveel dat je niet van me weet,' zei ze. 'Jaren en
jarenlang ben ik een doodgewoon meisje geweest.'
Je bent nooit doodgewoon geweest.'
`0 ja,' zei ze. `Geloof me als ik je zeg dat ik dat wel was.
Dat ik dat nog ben. Hier.' Ze tikte tegen haar voorhoofd. `Soms
word ik wakker en kan ik niet geloven wat er met me is gebeurd en
nog met me aan het gebeuren is. Zeker niet als ik denk aan wat ik
ben geweest.' `Het heeft geen zin terug te kijken,' zei Jerichau.
`Geen zin, te denken wat er geweest zou kunnen zijn.'
`Het is me inderdaad opgevallen dat jij dat niet meer doet. Je
praat niet eens over de Fuga.'
Jerichau glimlachte. Waarom zou ik dat doen?' zei hij. `Ik ben
nu gelukkig. Met jou. Misschien zal het morgen anders zijn.
Misschien
was het gisteren anders. Dat vergeet ik. Maar vandaag, nu, ben
ik gelukkig. Ik begin het Koninkrijk zelfs leuk te
vinden.'
Ze kon zich herinneren hoe verloren hij in Lord Street had
gestaan; wat was hij veranderd.
`En als je de Fuga nooit meer zou zien?'
Daar dacht hij even over na. Wie weet? Daar moet ik maar niet
bij stilstaan.'
Het was een onmogelijke romance. Zij leerde voortdurend van de
nieuwe kracht die ze had. Hij werd dagelijks meer verleid door de
wereld welks onbeduidendheid zij steeds duidelijker inzag. En
daardoor werd ze er steeds zekerder van dat het tapijt dat ze bij
zich hadden een laatste hoop was, terwijl hij wiens huis in het
Weefsel was opgenomen — steeds onverschilliger leek te staan
tegenover het lot ervan. Hij leefde op dit moment en voor dit
moment, vrijwel zonder gevoelens van hoop of spijt. Hij sprak
steeds minder over het zoeken van een veilige plaats voor de Fuga,
steeds meer over iets verlokkelijks dat hij op straat of op de
televisie had gezien.
En hoewel hij bij haar bleef en zei dat ze zich altijd op hem
kon verlaten, voelde ze zich nu vaak alleen.
5
En ergens achter haar was Hobart ook alleen; ook als zijn
mensen of Shadwell bij hem waren. Hij droomde over haar en de geur
die ze achterliet om de spot met hem te drijven, en over het geweld
dat hij zou gebruiken zodra hij haar in handen had.
In die dromen brandden zijn handen, zoals dat al eenmaal was
gebeurd, en terwijl ze zich tegen hem verzette, likten de vlammen
aan de muren en kropen over het plafond, tot de kamer in een oven
was veranderd. Dan werd hij wakker met zijn handen voor zijn
gezicht, handen die niet brandden maar zweetten. En dan was hij
blij dat er wetten bestonden die voorkwamen dat hij in paniek
raakte. En ook blij dat hij aan de kant van de engelen stond.