176
vermoeidheid kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en hij liep op de tweede opening toe. Daar daalde de bodem en rees de zoldering, het was er schemerdonker en Wilkes ontdekte een groote grotkamer met zonderlinge rotskegels afhangend van de muren en opstekend uit den grond.
En toen ontdekte hij een donker voorwerp op den grond.
Hij bukte zich en zag, dat het een groote linnen zak was. Het kostte hem weinig
moeite, den zak te openen...
En hij uitte een kreet van verbazing en schrik...
Gouden horloges, portemonnaies, diamanten sieraden, bankbiljetten,... wat anders
kon dit zijn dan de buit der roovers?
Er was ook een kleine portefeuille bij en Wilkes bekeek die belangstellend. Toen...
hoorde hij gedruisch voor in de grot en hij hield den adem in.
Daar was iemand... Haastig, zonder erbij te denken, stak hij de portefeuille in den
zak en verschool zich snel achter eenige rotsblokken.
Het hart bonsde hem in de keel, terwijl hij in angstige spanning luisterde. Wie was
daar?
Chr. van Abkoude, Kruimeltje