109
‘ daar hebben we den vogel. Mag ik vragen, waar u met dien jongen heengaat? ’
‘ Wie is u, als ik vragen mag? ’ was Wilkes' wedervraag.
‘ Ik ben de commissaris van politie, tweede afdeeling, ’ was het antwoord, ‘ en ik
wensch te weten, wat u met dezen jongen te maken hebt. ’
‘ De knaap is mijn beschermeling, ’ sprak Wilkes, ‘ zijn ouders zijn zoek en ik trachtte voor hem te zorgen. Ongelukkigerwijze werd mijn winkel door brand vernield en aangezien ik bij het blusschingswerk geholpen had, werd ik ziek van de kou en het water. Ik ben zoo juist uit het ziekenhuis ontslagen, waar Kruimeltje mij opwachtte. ’
‘ Wel-wel-wel, ’ klonk het nu op meer vriendelijker toon, ‘ is u dan Wilkes, waar
de jongen mij van verteld heeft? ’
‘ Juist, die ben ik. ’
Kruimeltje begreep, dat hij verloren was en het met zijn vrijheid spoedig gedaan
zou zijn.
‘ Maar weet u dan niet, ’ vervolgde de commissaris, ‘ dat Kruimeltje weggeloopen
is uit het Gesticht? ’
‘ Weggeloopen uit het Gesticht? ’ herhaalde Wilkes, vol verbazing naar Kruimeltje
kijkend. ‘ Wat voor gesticht? Daar weet ik niets van. ’
‘ Het Gesticht voor Onverzorgde Kinderen, ’ verklaarde de politie-beambte. ‘ Op Kerstavond vond een mijner agenten Kruimeltje en den hond ingesneeuwd in een hoek van de kerk. Hij heeft ze naar het bureau gebracht en daar hebben ze verder geslapen. Omdat ik een einde wilde maken aan Kruimeltjes straatlooperijen, heb ik moeite gedaan, hem in het Gesticht geplaatst te krijgen. Na eenige moeite is mij dat ook gelukt, maar ik heb er niet veel plezier van beleefd. Denzelfden dag verdween de jongen en stal bovendien nog zijn hond uit het Hondepark. ’
Chr. van Abkoude, Kruimeltje