148
school om de meesters tevreden te stellen, dan om te leeren. Hoewel hij in het geheel niet leergierig was, toonde hij een vlug begrip en een helderen geest te bezitten. Hij had in het geheel geen moeite met zijn sommen en leeslessen, hij had maar eenmaal de uitlegging te hooren en hij onthield het. Voor zoover zijn studie betrof, gaf hij meester Leentvaar geen reden tot klagen. De goede man had echter heel wat met den jongen te stellen, als deze met zijn werk gereed was, want Kruimeltjes grenzelooze vrijmoedigheid maakte, dat hij zich vrijheden veroorloofde, die ieder ander Schoolkind wel uit het hoofd gelaten zou hebben. Moor had zich ten slotte aan zijn nieuwe verblijf in de schuur gewend en deed geen nachtelijke uitstapjes meer naar de slaapkamer. Hij was aller vriend geworden en had menigen regenachtigen namiddag aangenaam met de kinderen doorgebracht. Ze hadden hem tal van nieuwe kunsten geleerd en waren allen verzot op hem, zoodat Kruimeltje hem gerust tijdelijk aan hun zorgen kon over laten, wanneer hij niet in het Gesticht was.
Zoo vinden we dan den held van ons verhaal in de maand Juni, gezond en wel, maar met meer en meer slijtende kleeren, op weg naar school. Het was een mooie, zonnige dag en ofschoon hij in zijn hart verlangde naar vrijheid en de vroolijke drukte van de stad, stapte hij, een lustig deuntje fl uitend, vol goeden moed voort. Hij voelde zich opgewekt en waarom ook niet? Hij had sinds Wilkes' vertrek, verscheidene brieven van dezen ontvangen. Wel had Wilkes zijn vader nog niet gevonden en schreef hij omtrent zijn onvermoeide onderzoekingstochten in de West, maar hij bleef den moed erin houden. En van morgen was er weer een brief voor Kruimeltje in het Gesticht gekomen, waarin Wilkes schreef,
Chr. van Abkoude, Kruimeltje