20
Derde hoofdstuk.
Orgeltonen en een nieuw logement.
O ndanks zijn ongelukkig lot was er in Kruimeltje altijd een zekere neiging, zich aan de wereld op te dringen en een beetje beter plaatsje erin machtig te worden. Vreemd, dat die wereld hem altijd weer uitstootte, alsof er voor hem geen ruimte was. Kruimeltje en Moor liepen mee met den menschenstroom, die zich kerkwaarts begaf. Orgeltonen ruischten naar buiten, toen ze het gebouw naderden. De menschenstroom ging naar binnen en Kruimeltje luisterde naar de muziek, die hij prachtig vond. Muziek had een kalmeerende uitwerking op hem. Hij liet Moor buiten op hem wachten en liep het kerkgebouw binnen. Achter een der pilaren bleef hij staan en luisterde naar het orgel. Had hij zich nu maar een beetje achteraf gehouden en daar blijven staan dan had hij waarschijnlijk nog wel meer kunnen hooren, maar toen de dominee den preekstoel beklom en spreken ging, wou Kruimeltje dat ook wel eens hooren. Hij had gezien, hoe al de menschen in mooie banken gingen zitten en daarom kwam hij van achter den pilaar te voorschijn en
Chr. van Abkoude, Kruimeltje