76
‘ O mijn jongen... als ik weer beter ben, zal ik wel goed voor je zorgen, wacht maar, tot ik hier vandaan ben... ’
‘ Ga je dan mijn vader zoeken, Wilkes? ’ ‘ Vast en stellig. ’
‘ En mag ik dan mee naar Amerika om Vader te zoeken? ’ ‘ Dat zullen we wel eens zien. ’
‘ Nou, dat zal fi jn weze, hè?... Gistere vertelde 'k an een knul in de straat van me vader... enne toen begon die gannef te lache en zei; da 'k niet eens 'n vader had en dattie nooit goud gevonde had en astie wel goud gevonde had... da'k dan niet zoo arm zou weze... was dat niet gemeen, Wilkes? Nou maar... 'k heb me die knul toch een watjekou op z'n toet gegeve, dattie moord begon te schreeuwe... ’ Maar nu kwam de verpleegster zeggen, dat Kruimeltje weer weg moest gaan. De zieke was nog heel, heel zwak en mocht zich niet zoo opwinden. Daarom nam de jongen afscheid van hem en beloofde, gauw weer terug te komen.
Toen Kruimeltje de poort van het ziekenhuis uitging was het weer beginnen te sneeuwen. Een gure noordenwind joeg de vlokken op in dichte wolken en blies ze tot hoopen tegen stoepen en huizen.
Kruimeltje had zich maar vroolijk gehouden tegenover Wilkes, maar eigenlijk was hij zoo verdrietig, dat hij ternauwernood zijn tranen kon weerhouden en af en toe schokte een snik uit hem op. Moor, die geduldig in den sneeuwstorm had zitten wachten, drong zich tegen hem aan, alsof hij warmte en dekking zocht. Kruimeltje streelde hem even over den goedigen kop en zei zacht: ‘ Zoete Moor... ’ De Kerstklokken begonnen te luiden terwijl ze samen langzaam voortliepen... doelloos... Bombam... bombam... Kerstavond is gekomen... Vrede op aarde... in menschen een welbehagen...
Chr. van Abkoude, Kruimeltje