134
Buikie wou weer aan zijn vleesch beginnen, maar dat was verdwenen. Niemand wist, waar het zoo plotseling gebleven was. Moor wist het best, want die likte zich lekker den baard af.
Na het eten wist Kruimeltje den hond naar buiten te krijgen, toen de Vader en de Moeder het vertrek reeds verlaten hadden. Hij deed Moor in het schuurtje en spreidde er wat stroo voor hem op den grond.
‘ Zoo ouwe jongen, nou kan je lekker slapen hier. Baas Wilkes is Vader gaan zoeken, en als-die 'm vind krijg je een gouwen halsband met je naam erop, en dan gaan we wonen in een mooi huis, net als bij baassie Wilkes, weet je wel? Nog veel grooter huis met een fonegraaf en een pianolia en een hoop gouwe stoele en dan krijg je 'n kamertje, niet 'n hok, 'n kamertje met een hondebedje en groote borden vleesch en beentjes en dan koop ik elke week een pond chocola voor je, mag je alleen opeten. Nou, zoet zijn, hoor, anders komt die brombeer van een Vader en geeft je een schop. As-tie dat doet, bijt je 'm maar in z'n jat, koplementen van mij, dag, hoor. ’ Kruimeltje ging weer terug naar de speelkamer, waar de kinderen bleven, tot het
tijd was om naar bed te gaan.
Sommigen speelden op den grond, anderen zaten aan de tafel te lezen, maar Kruimeltje ging bij het raam zitten en tuurde naar buiten. Er was vandaag weer zooveel gebeurd om over na te denken, dat hij geen lust had tot spelen. Hij keek naar de lange rij gloeilichtjes der straatlantaarns, naar de voorbijgangers, naar de wagens en auto's. Waar zou de boot nu zijn? Heel ver uit op zee al, en Wilkes kijkend over de verschansing en denkend aan hem en Moor. Goeie man, die Wilkes, jammer dat hij niet mee mocht naar
Chr. van Abkoude, Kruimeltje