121
heid en netheid van spreken, ofschoon hij gaarne zijn best wou doen om Wilkes te gehoorzamen. Het vonkje goede wil was er, als het nu voorzichtig werd aangeblazen en niet ruw uitgetrapt werd, zou alles best in orde komen met den jongen. ‘ Zoo-zoo, ben jij Harry Volker, ’ begon meester Leentvaar en boog zich tot hem
over. ‘ En hoe bevalt het je hier? ’
‘ Goed. ’
‘ Kan je niet met twee woorden spreken? ’ ‘ Heel goed. ’
Meester Leentvaar fronste de wenkbrauwen. Hield de jongen hem voor den mal? ‘ Je behoort te zeggen: Goed, meester. ’ ‘ Goed, meester. ’
‘ Juist, zoo is het netter. Ik hoop, dat je het hier, in deze beschaafde omgeving
prettiger zult vinden, dan op de straat en in krotten en stegen. ’
‘ Ik heb een schrift en een potlood, ’ begon Kruimeltje te vertellen. ‘ Wilkes heit alles voor me gekoch... wel zes potlooie... gommes... enne die vent in die boekwinkel kwam met een heele zooi griftedooze andrage en toen liet ie d'r twee uit z'n poo... uit z'n hande valle... Kee-jij mooi teekene... een koei en een hond? Ik heb ook een hond, Moor hiet-ie en Wilkes gaat nou met 'm wandele... 'n beste hond, hoor, assie maar goeie vrinde met 'm bleef... hij dee geen kwaad, daar niet van.... maar agente kon-die niet luchte, die beet-ie in d'r poo... beene. 'k Zal 'm is meebrenge... of hou jij niet van honde? ’
‘ Ja, ik houd wel van honden, mits zij niet wild en luidruchtig zijn, maar ik kan het medebrengen dezer dieren in de klasse niet gedoogen. Intusschen zult ge een weinig op je woorden moeten letten. Met mijne medewerking hopen we echter dit euvel spoedig te overkomen. Leg je vooral toe
Chr. van Abkoude, Kruimeltje