108
huis te overlaten, ergens een kamer te huren en door wandelen in de frissche lucht geheel en al op te knappen. De dokters vonden dat goed en zoo verliet Wilkes het hospitaal.
Kruimeltje en Moor waren aan den uitgang om hem af te halen.
O, wat was de jongen blij, toen hij zijn ouden vriend weer terug had. Ook Moor
herkende hem en sprong vroolijk blaffend tegen hem op.
‘ Ik ben blij, dat ik weer buiten ben, ’ sprak Wilkes. ‘ De frissche lucht zal mij goed doen. En jij, mijn jongen, leid je nog altijd het oude leven? De verhalen, die je mij elken avond deed, hebben mij heel erg bezorgd over je gemaakt. ’
‘ O Wilkes, wees toch niet bang voor mij... ik kan best voor ons zorgen... voor
Moor en mijn... als je maar beter wordt en vader gaat zoeken... ’
‘ Natuurlijk ga ik je vader zoeken, ’ was het antwoord, ‘ wacht maar, zoodra ik weer gezond en sterk ben. Om te beginnen moet ik eerst naar een kamer omzien, want zooals de zaken nu staan, heb ik geen plaats om mijn hoofd neer te leggen. Laten we in dit restaurant wat eten. Ik kan dan in de courant naar een kamer zoeken. ’ Ze stapten een klein kof fi ehuis in een zijstraat binnen, waar Wilkes voor beiden een goed maal bestelde. Kruimeltje liet het zich smaken en ook Moor werd niet vergeten. In het Nieuwsblad vond Wilkes het adres van een kamer, die hem geschikt toeleek en na de vertering betaald te hebben, gingen zij samen heen. Voor zij echter de plaats bereikten, voelde Wilkes zich door iemand op den schouder tikken. Omkijkend, zag hij een netgekleed heer. Wilkes kende hem niet, maar Kruimeltje verbleekte, want hij herkende oogenblikkelijk den Commissaris van Politie, die hem naar het Gesticht gezonden had.
‘ Aha, ’ sprak deze op veelbeteekenenden toon,
Chr. van Abkoude, Kruimeltje