87
tje, ’ zooals de kinderen genoemd werden, voor wien niets werd betaald.
Dan was er Daan, die den sierlijken bijnaam ‘ Buikie ’ droeg, wat aan zijn omvang te wijten was. Hij was een halve wees, zijn vader reisde en betaalde voor hem, wat aan alles te merken was. Buikie had een onverzadigbaren eetlust en hem was toegestaan, de beste beetjes uit den schotel te nemen, terwijl dan de anderen kregen, wat er overgebleven was. Hij ging beter gekleed dan de anderen, maar werd in geen ander opzicht voorgetrokken. En verder was er een aantal stumpertjes, die zich tevreden hadden te stellen met wat het gesticht hun gaf, al was dat niet bijzonder veel.
Het was juist tijd voor het middagmaal en aan Kruimeltje werd een plaatsje gewezen aan de lange tafel. Buikie zat links, Spijker rechts van hem. Toen kwam al gauw de Moeder met een gevulde soepterrine, die zij op het midden van de tafel zette. Dan bracht zij een schotel met brood, waarop Buikie onmiddellijk een hevigen aanval deed. De anderen keken glurend naar hem, maar bleven geduldig wachten, tot zij hun deel kregen. Niet echter Kruimeltje, die niet beter wist en zich ook rijkelijk van het brood bediende.
‘ Ho-ho, ’ riep de Moeder, ‘ allemaal wachten tot ik je geef. ’ ‘ Wel, hij neemt toch ook, ’ zei Kruimeltje, op Buikie wijzend. ‘ Doet er niet toe, allemaal wachten. ’
Moeder deelde de soep rond, en Buikie viel er op aan als een uitgehongerd dier. Hij slurpte zoo verschrikkelijk, dat Kruimeltje hem met verbazing aanzag. ‘ Zeg, ’ sprak deze tot Buikie, ‘ heb jij wel is het stoomgemaal gezien aan de Vest? ’ ‘ He-watte? ’
Kruimeltje herhaalde de vraag.
Chr. van Abkoude, Kruimeltje