128
in de gelegenheid ben, daarvoor te zorgen. ’ ‘ Natuurlijk, dat spreekt van zelf, ’ zei Wilkes.
‘ Ik wil echter eens gaan praten met den Vader van dat Gesticht en zien, of ik geen toestemming voor den jongen kan krijgen, om den hond bij hem te houden. ’ ‘ Als u dat gedaan zoudt kunnen krijgen, denk ik, dat we weinig moeite zullen
hebben, om den jongen er weer heen te krijgen. ’
Om kort te gaan, dat werd afgesproken en na eenige moeite kreeg meester
Leentvaar toestemming voor Kruimeltje, om Moor in het Gesticht te brengen. In het eerst vond Kruimeltje de gedachte, naar het Gesticht te moeten, niet heel aangenaam, maar nu hij Moor mee mocht nemen, was het wat anders. Hij zou natuurlijk dezelfde school blijven bezoeken en zoodoende steeds onder toezicht zijn van meester Leentvaar. - Kruimeltje doorstond al die veranderingen zonder tegenwerping, omdat hij steeds maar dacht aan de mogelijkheid, dat zijn Vader weer zou komen en hem dan een knappen, fl inken jongen vinden zou, waar hij trotsch op kon zijn. Hij was nu zes weken in een geheel andere omgeving geweest, kreeg iederen dag behoorlijk onderwijs, had een fatsoenlijk tehuis, werd warm gekleed, in één woord, had een uitstekende verzorging. En tòch... en tòch smeulde diep, héél diep in zijn hart de oude liefde en het verlangen naar de straat en het zwerversleven.
Begin Maart vertrok Wilkes naar de West. Meester Leentvaar en Kruimeltje deden hem uitgeleide. Wilkes beloofde, veel aan den jongen te schrijven en een adres op te geven. En op zijn beurt liet hij Kruimeltje beloven, goed vol te houden en ook in het Gesticht goed op te passen.
En toen had het afscheid plaats. Wilkes verzocht den meester een oogje te houden
op zijn
Chr. van Abkoude, Kruimeltje