32
Vijfde hoofdstuk.
Kruimeltje verneemt voor het eerst wie hij is. Wilkes vertelt.
E en half uur later holde Kruimeltje naar zijn nieuwen vriend Wilkes. Niet vol dartele pret, maar meer uit haastige zenuwachtigheid. Het plotselinge sterven van Vrouw Koster, het geheimzinnige doosje, de beklagende woorden van de buren en het onverwachte verlies van het woninkje, waar hij al z'n leven dan nog een ‘ tehuis ’ gevonden had, hadden hem heelemaal van streek gebracht. Hij had iemand noodig om zijn hart aan uit te storten, iemand, dien hij vertellen kon en hem misschien helpen wou. Daar was niemand anders dan baas Wilkes, de winkelier. Hijgend kwam hij het keldertrapje afhollen, stormde het winkeltje en dan de kamer in, waar zijn vriend zat te lezen en Moor bij de kachel lag te slapen.
Wilkes dacht eerst, dat Kruimeltje zoo uitgelaten was van pret, om hetgeen hij
gezien had in de bioscoop en zei: ‘ Zoo'n schik gehad... was het mooi? ’
Chr. van Abkoude, Kruimeltje