53
Moor doodmaken... zooals alles, wat hij bezat, van hem afgenomen en doodgemaakt werd...
Bitterheid en haat vervulden het hart van Kruimeltje... niemand, die ooit een vriendelijk woord voor hem had, behalve dan Wilkes... maar de rest van de wereld was hem vijandig... stootte hem uit... had geen plaats voor hem... Een wraakgedachte kwam in hem op, die hij bliksemsnel ten uitvoer bracht, zonder aarzelen, zonder talmen. Er was een druk verkeer van wagens en auto's en rijtuigen in die straat. Toen nam hij een steen van den grond en slingerde die met welgemikte kracht in de richting van het politiebureau.
Een slag... een gekletter en gerinkel van glas, en de ruit viel aan stukken op de straat. Agenten renden naar buiten in verschillende richtingen... maar niemand had den dader gezien, die spoorloos verdwenen was. De reden daarvan was, dat Kruimeltje zich midden in het wagengewoel begeven, vandaar den steen geslingerd had en toen achter aan een auto was gaan hangen.
De gebeurtenis bracht zulk een ontsteltenis in de buurt, dat het verkeer in de war liep en stopte. Tal van onschuldige voorbijgangers werden aangehouden en ondervraagd, maar niemand kon eenig licht verschaffen. Langzamerhand zakte de opwinding en keerde de rust in de straat weer terug, als-ook Kruimeltje, die, nu zijn wraak gestild was, kalm op eenigen afstand van het bureau het verdere verloop der dingen afwachtte. Hij behoefde niet lang te wachten, want spoedig verscheen de hondewagen en hield stil voor het bureau.
Voorzichtig stapte Kruimeltje nader.
Een beambte klom van den bok, wierp de leidsels over het paard en stapte naar binnen. Een paar minuten later kwam hij weer te voorschijn met twee honden. De eene, een geel mormel, dat er ziekelijk en verwaarloosd uitzag, droeg hij in z'n
Chr. van Abkoude, Kruimeltje