72
kleinere vlammen langs het midden der vloer speelden en nog een kans van ontsnapping openlieten. Met twee sprongen waren Wilkes en Kruimeltje er doorheen... snel ontsloot de eerste de voordeur en daarop bereikten ze, doodelijk verschrikt, maar veilig en gered, de straat. Haastig trokken zij wat kleeren aan, waar ze tot nog toe geen tijd voor hadden gehad en toen pas dachten ze aan Moor. Ze schreeuwden, gilden, tot plotseling Moor zich met een gehuil in de vlammen wierp en in twee sprongen bij hen was. Kruimeltje omhelsde zijn vriend en Wilkes liep de trap van het bovenhuis op, om de buren te wekken.
Er ontstond een paniek in het huis... de bewoners kwamen schreeuwend en
jammerend de trappen af, de meesten ternauwernood gekleed... Weldra ontwaakten ook de andere buren en het duurde niet lang, of de heele straat was in rep en roer.
Politieagenten bliezen hun brandhoorns en weldra hoorde men door alle
aangrenzende straten het angstig brandgeroep. Iemand telefoneerde de brandweer; een stoombrandspuit begaf zich op weg en van tijd tot tijd verscheen er een van die belachelijk-ouderwetsche handspuitjes, getrokken door een paar slaperige vrijwilligers en waar de stad nog zoo trotsch op was, alsof het ten tijde van de Watergeuzen was. Tegen den tijd, dat de eerste spuit gereed was om water te geven, hadden de vlammen de eerste verdieping al verslonden en begonnen aan de tweede.
Dan verschenen er meer agenten, die ruimte maakten en de straat afzetten, de spuiten werden, de een na de ander, in wenking gesteld, maar het vuur had reeds zulke vorderingen gemaakt, dat het huis niet meer te redden viel.
Wilkes, die dapper meehielp aan het blussingswerk, droop van het water.
Chr. van Abkoude, Kruimeltje