64
dieverij en oneerlijkheid hadden voor dit kind van de straat niet de minste beteekenis, hij was er van jongs aan in groot geworden en wist niet beter. Wilkes nam zich voor, Kruimeltje van nu aan een betere verzorging en leiding te geven en hem het onderscheid te leeren tusschen goed en kwaad, het verschil tusschen mijn en dijn. ‘ Enne toen kwamme we voorbij een meid, die bezig was de stoep te dweile... toen ze effe niet keek lei ik een stukkie duvelsdrek op de stoep en toen de meid met de natte dweil er op kwam, sloeg 'r een vlam uit en die meid gilde: “ de duvel zit in die dweil! ” Watten onzin, he? de duvel zat 'r ommers heelemaal niet in... enne toen benne we naar de Vest gegaan, waar die schuite legge met kerstboome... d'r lagge d'r wel duizend millioen en honderd... me hebbe voor de skipper wat boompies weggebroch en we krege ieder een duppie en daar hebbe we sjokola en zuurtjes voor gekoch en voor Moor drie cente worst... en jó, ben ik me toch geschrokke... zag ik ineens die agent... die Moor meegenome had... en Moor liep vlak naast me... nou, ik er van door maar 'k heb hem toch lekker nog effe een harde sneeuwbal tege z'n kop gemikt... zoo'n hondedief... ’
En Kruimeltje vertelde, vertelde, het leek alsof zijn woordenstroom niet te stuiten was, het eene straatavontuur na het andere verhaalde hij aan Wilkes, die pàf zat. ‘ Wel mijn jongen, ’ sprak de goede man eindelijk, toen Kruimeltje even adem haalde en een nieuw avontuur wou opzetten, ‘ wel mijn jongen, ik zal je eens vertellen, wat we gaan doen. In de eerste plaats zal ik je eens fl ink wasschen en dan zullen we morgen eens zien, of we wat betere kleeren voor je kunnen koopen. Als je hier wilt blijven en mijn vriendje wilt worden, kan je niet in die vieze lompen blijven rondloopen. En je haar
Chr. van Abkoude, Kruimeltje