Hoofdstuk 82
Maggie concentreerde zich op de grond, zoekend naar sporen in de sneeuw of vers gegraven gaten. Timmy was verdwenen na de sneeuwval. Als hij hier was, zouden er sporen in de sneeuw moeten zijn. Als er inderdaad een tunnel was, waar zou zich dan in ’s hemelsnaam de ingang bevinden?
Plotseling keek ze op naar de zwarte engel. Hij stond op iets wat eruitzag als een bovengrondse tombe. De tijd en de elementen hadden aan de façade geknaagd en deze getekend met witte wonden. De engel verhief zich hoog boven de rest van het kerkhof. Ze schatte hem tussen de één en anderhalve meter hoog. De uitgespreide vleugels beschermden de tombe eronder. Een dreigend wezen, dat zuiver door zijn aanwezigheid macht uitstraalde.
Met haar kleine zaklampje ging ze op zoek naar de inscriptie: ‘Ter herinnering aan onze geliefde zoon Nathan, 1906-1916.’ Een kind, natuurlijk, vandaar de beschermengel. Ze stopte haar hand diep in de zak van haar spijkerbroek tot ze de ketting voelde met het medaillon. Haar eigen beschermengel, die ze voor iedereen verborgen hield. Gold die bescherming ook bij sceptici? En trouwens, hoe sceptisch was ze als ze het ding nog altijd overal met zich meesleepte?
Een windvlaag rukte aan de bomen langs de achterzijde van het kerkhof. De reusachtige esdoorns waren het begin van de dichte wouden die tot de rivier leidden. Ze probeerde zich voor te stellen hoe angstige, weggelopen slaven zonder de hulp van lantaarns hun weg hadden gezocht over de steile helling. Zelfs met de gele maansikkel en de fonkelende sterren was het zwarte uitspansel overweldigend.
Achter zich hoorde ze een klapperend geluid. Ze draaide zich om. Daar bewoog iets. Het kleine lichtje viel op een langgerekte, zwarte schaduw op de grond, aan het eind van de rijen graven. Een lichaam? Ze kwam langzaam dichterbij, schoof haar hand onder haar jack en pakte haar revolver. Toen zag ze wat het was: een stuk zwart zeildoek. Het soort dat werd gebruikt om verse graven af te dekken. Ze zuchtte, maar toen schoot het haar te binnen dat het kerkhof in geen jaren meer was gebruikt. Dat had Adam toch gezegd? De adrenaline begon te stromen.
Het stuk zeildoek bevond zich aan de voet van de heuvel, vlak bij de rij bomen. Hier stonden maar een paar grafstenen. De jeep en de weg waren aan het oog onttrokken. Het enige wat ze kon zien, was een stuk van het dak van de kerk.
Het zeildoek zag er nieuw uit, zonder scheuren of gesleten plekken. Op de hoeken lagen grote stenen en bergen sneeuw, maar er was één hoek losgeraakt zodat het doek vrijuit klapperde. Het rotsblok moest zijn weggehaald. Weggehááld, niet weggewááid. Daarvoor woei het niet hard genoeg.
Ze besefte dat het zweet in haar handen stond, ondanks de kou. Haar hart bonsde in haar oren. Ze moest wachten op Nick en teruggaan naar de jeep. In plaats daarvan pakte ze de losse hoek en trok het zeildoek opzij. Ze had geen extra licht nodig om te zien dat zich daaronder een luik bevond. Een smal, langgerekt luik. Het dikke hout rotte rond de scharnieren en zakte in het midden enigszins in.
Weer keek ze langs de heuvel omhoog. Ze moest wachten. Denk aan Stucky, hield ze zich voor. Ineens moest ze denken aan het briefje: ‘Ik weet wat Stucky met je heeft gedaan.’ Was dit weer een val? Nee, de moordenaar kon onmogelijk hebben geweten dat ze hier zou komen.
Naar de deur starend, begon ze te ijsberen. Haar hart bonsde zo heftig, dat ze nauwelijks helder kon denken. Ze moest zorgen dat ze kalm werd. Ze kon het aan. Na een paar keer diep adem te hebben gehaald, pakte ze de rand van het luik. Een knop was er niet. Ze begon te trekken tot het hout meegaf, maar het was zwaar en ze kreeg splinters in haar vingers. Ze liet het luik weer los, pakte het beter vast en probeerde het nog eens. Nu zwaaide het open. Een muffe lucht kwam haar tegemoet. Een geur van rotting, vochtige aarde en schimmel.
Ze tuurde het zwarte gat in, maar verder dan de derde tree reikte het licht van haar lampje niet. Het zou belachelijk zijn om met zo’n slechte verlichting naar beneden te gaan. Haar hart bleef bonzen. Toen ze haar revolver tevoorschijn haalde, merkte ze tot haar ergernis dat haar hand beefde. Ze keek nog één keer langs de heuvel omhoog. Doodse stilte. Nick was nergens te bekennen. Toen daalde ze langzaam af in het nauwe, zwarte gat.