Hoofdstuk 50
Maggie nipte van haar whisky en liet vanaf haar hoektafeltje haar blik over de aanwezigen in de luchthavenlounge gaan. Ondertussen probeerde ze te raden wie er voor zaken op reis waren en wie op vakantie gingen. De storm had diverse vluchten vertraagd, de hare incluis, zodat de kleine, armzalig verlichte lounge stampvol zat. De ruimte bestond uit een L-vormige bar en verscheidene tafeltjes met stoelen. Tientallen vliegtuigmodellen hingen aan het plafond, en de oude jukebox was gevuld met nummers als Leaving on a Jet Plane en Outbound Plane.
Haar groen-met-zwarte jack hing over de stoel tegenover haar om te voorkomen dat ze ongewenst gezelschap kreeg. Ze had al ingecheckt en haar bagage afgegeven, behalve haar laptop, die veilig verborgen was onder het jack. Ze overwoog nogmaals de kerk te bellen, er steeds meer van overtuigd dat er misschien wel iets verschrikkelijks was gebeurd. Waarom zou Father Francis hun afspraak anders niet zijn nagekomen? En waarom werd er in de pastorie niet opgenomen?
Het liefst wilde ze Nick bellen. Sterker nog, ze had het nummer al een keer gedraaid, maar toen opgehangen. Hij had al genoeg te doen zonder haar vermoedens na te trekken. Bovendien begon haar wisselgeld voor de telefoon op te raken. Haar laatste tien dollar had ze uitgegeven aan deze en twee eerdere whisky’s. Niet bepaald een gezonde avondmaaltijd, maar nadat ze die middag in Matthew Tanners kleine lichaam had staan snijden, had ze besloten dat ze wel een paar whisky’s verdiende.
De indrukken op de binnenkant van Matthews dij waren inderdaad veroorzaakt door menselijke tanden. De arme George Tillie had nog geprobeerd verscheidene andere theorieën te bedenken, voordat hij had moeten toegeven dat de moordenaar Matthew herhaalde malen had gebeten, telkens op dezelfde plek, waardoor het onmogelijk was de afdrukken te identificeren. Wat het allemaal nog erger maakte – ‘bizar’ was misschien een beter woord – was dat de beten van diverse uren na Matthews dood dateerden.
Dus de moordenaar kwam niet alleen terug naar de plek van het misdrijf om de politie aan het werk te zien. Hij volhardde in zijn absurde fascinatie voor het lichaam van zijn slachtoffer. Hij begon af te glijden van zijn zorgvuldig uitgestippelde ritueel. Iets was er de oorzaak van dat hij degenereerde, dat hij zijn controle verloor. In zijn roekeloosheid was het maar al te waarschijnlijk dat hij spoedig bezwarend bewijsmateriaal zou achterlaten.
Maggie had tegen George gezegd dat ze moesten zoeken naar zaadsporen, omdat de moordenaar deze keer misschien had gemasturbeerd terwijl hij in het dode lichaam had gebeten. Misschien was er iets van het zaad op het slachtoffer terechtgekomen. Het gezicht van de oude lijkschouwer was vuurrood geworden terwijl hij had gemompeld dat hij zijn werk het liefst in afzondering verrichtte.
Natuurlijk nam ze George niets kwalijk. Het was maar al te duidelijk geweest dat hij zich niet op zijn gemak voelde door haar aanwezigheid. De manier waarop hij werkte, met zijn zorgvuldige en doordachte aanrakingen en zijn gedempte stem, deed denken aan de eerbiedige houding van een priester. Het was bijna alsof hij de zielenrust van de jongen niet wilde storen.
Maggie, daarentegen, had met klinische precisie in het lichaam gesneden en had luid en duidelijk in haar taperecordertje gepraat. Het ging hier om een dood lichaam, waaruit alle leven, alle warmte was verdwenen. Wat er in deze verzameling vlees en beenderen had gehuisd, was allang verdwenen. Toch had ook zij moeten toegeven dat er iets verkeerds in school, dat het bijna heiligschennis was om in het lichaam van een kind te snijden. De zachte, gladde huid vertoonde nog niet genoeg schrammen en kneuzingen, de botten nog niet genoeg breuken en beschadigingen om echt te hebben geleefd. Het leek zo onrechtvaardig, zo’n verspilling. Daar was de whisky echter voor: om nog enige logica in het geheel te kunnen zien, of althans om haar gevoelens zodanig te doen afstompen, dat het haar niet kon schelen. Tenminste, tijdelijk.
‘Neem me niet kwalijk.’ De jonge barkeeper verscheen naast haar tafeltje. ‘De heer aan het eind van de bar biedt u nog een whisky aan.’ Hij zette het glas voor haar neer. ‘En hij vroeg me u dit te geven.’
Maggie herkende de envelop en de blokletters. Haar maag nam een duik, en haar polsslag versnelde. Ze stond zo abrupt op, dat haar stoel dreigde om te vallen.
‘Welke man?’ Ze maakte zich zo lang mogelijk om het vertrek te kunnen overzien.
De barkeeper deed hetzelfde. Toen haalde hij zijn schouders op. ‘Hij is blijkbaar net vertrokken.’
‘Hoe zag hij eruit?’ Ze klopte op haar blazer, gerustgesteld door de loop van haar wapen, die net onder haar borst tegen haar lichaam drukte.
‘Ik weet het niet… lang, donker haar, een jaar of achtentwintig, misschien dertig. Ik heb er, eerlijk gezegd, niet echt op gelet.’
Ze drong zich langs hem heen en baande zich een weg door de menigte. Buiten de lounge liet ze haar blik zoekend over het komen en gaan van mensen gaan. Haar hart bonsde tegen haar ribben. Haar hele hoofd dreunde, en haar gezichtsvermogen was licht vertroebeld door de whisky.
De lange vliegveldpromenade strekte zich naar beide richtingen kaarsrecht uit. Ze zag een gezin met drie kinderen, diverse zakenmannen met laptops en attachékoffers, een werknemer van de luchthaven die een kar voor zich uit duwde, twee vrouwen met grijs haar en een groep donkere mannen en vrouwen in kleurige jurken en hoofdtooien. Nergens zag ze echter een lange man met donker haar zonder bagage.
Hij kon onmogelijk ver weg zijn. Ze rende naar de lift, botste tegen passagiers op en struikelde bijna over een verlaten bagagekarretje. De lift ging omhoog of naar beneden. Ze koos omhoog en leunde over de reling om naar beneden te kijken. Weer kon ze tussen de passagiers nergens een lange man met donker haar ontdekken. Hij was verdwenen. Hij was haar weer ontsnapt.
Langzaam liep ze terug naar de lounge, nu pas beseffend dat ze haar jack en haar laptop – en de envelop – onbeheerd had achtergelaten. Hoewel het stampvol was in de lounge, had niemand geprobeerd haar tafeltje in beslag te nemen. Zelfs de envelop stond nog tegen het glas met whisky, precies zoals de barkeeper hem had achtergelaten.
Ze liet zich op de harde stoel vallen en staarde naar de kleine envelop. In één teug sloeg ze de laatste slok whisky in haar glas achterover. Ze zette het opzij en begon aan het nieuwe glas, ondanks het feit dat haar hoofd tolde. Ze snakte naar de verdoving.
Voorzichtig pakte ze de envelop bij een hoek vast. De verzegeling liet gemakkelijk los, en ze liet de systeemkaart op het tafeltje glijden zonder hem aan te raken. Zelfs de whisky kon het gevoel van misselijkheid niet verdringen dat ze voelde bij het lezen van de tekst. In dezelfde blokletters als op het vorige briefje las ze:
JAMMER DAT JE AL WEGGAAT. MISSCHIEN KOM IK EENS BIJ JE LANGS IN CREST RIDGE ALS IK IN DE BUURT BEN. DOE GREG DE GROETEN VAN ME.