Hoofdstuk 51
Vanaf de stoep zag hij Maggie O’Dell naar de lift rennen. Hij moest toegeven dat ze snel was en stelde zich voor dat haar sterke, atletische benen er goed uit zouden zien in een strakke, korte broek, hoewel het beeld hem niet echt interesseerde.
Hij duwde de handkar opzij, trok het dienstjasje uit en zette de pet af die hij had geleend van een slapende werknemer van de luchthaven.
Zijn Lexus stond met de radio keihard aan op de strook voor laden en lossen. Dankzij de radio en de af- en aanvliegende toestellen zou niemand Timmy horen, mocht hij eerder wakker worden dan verwacht. Bovendien sloot de kofferbak perfect.
Hij stapte in de auto, net op het moment dat er een beveiligingsbeambte zijn kant uit kwam met zijn bekeuringenboekje. Met gillende banden reed hij weg, rond de auto’s zwenkend die passagiers uitlaadden. Het zou pikdonker zijn tegen de tijd dat hij Timmy had geïnstalleerd, maar de omweg was de moeite waard geweest. Alleen al voor de uitdrukking op het gezicht van Special Agent Maggie O’Dell.
De wind was aangewakkerd en deed de sneeuw hoog opwaaien. De oliekachel, de lantaarn en de slaapzak op de achterbank, die hij oorspronkelijk had ingepakt voor het kampeeruitje, zouden uiteindelijk alsnog van pas komen. Misschien kon hij onderweg wel even langs McDonald’s rijden. Timmy was dol op Big Macs, en zelf had hij ook honger, merkte hij.
Hij voegde zich tussen het verkeer en wuifde dankbaar naar een roodharige dame in een Mazda, die hem liet voorgaan. Het was een welbestede dag geweest. Hij drukte het gaspedaal diep in, zonder zich iets aan te trekken van het feit dat de banden weggleden op het bevroren wegdek. Hij had alles weer volledig onder controle.