Hoofdstuk 15
Maandag, 27 oktober
Maggie schonk het laatste restje whisky uit het flesje in het plastic bekertje. De ijsblokjes maakten een krakend, rinkelend geluid. Ze nam een slok, sloot haar ogen en verwelkomde het verrukkelijke, warme gevoel dat zich door haar keel naar beneden verplaatste. De laatste tijd maakte ze zich zorgen dat ze haar moeder achternaging, dat ze net als zij verslaafd begon te raken aan het aangename gevoel van verdoving dat alcohol veroorzaakte.
Ze wreef in haar ogen en keek op de goedkope wekkerradio aan de andere kant van de kamer op het nachtkastje. Het was al over tweeën, en ze kon niet slapen. Het schemerige licht van de lamp op tafel bezorgde haar hoofdpijn. Het was waarschijnlijker dat het kwam door de whisky, maar toch nam ze zich voor om het hotelpersoneel de volgende dag om een sterkere lamp te vragen.
Het kleine tafelblad lag bezaaid met de polaroidfoto’s die ze eerder die dag had genomen. Ze probeerde ze in chronologische volgorde te leggen – handen geboeid, gewurgd en vervolgens de keel doorgesneden, steekwonden. De moordenaar mocht dan krankzinnig zijn, hij ging wel methodisch te werk. En hij nam er de tijd voor. Hij stak, sneed en sloeg de huid terug met een angstaanjagende precisie. Zelfs de rafelige x vormde twee strakke diagonalen.
Ze schudde de twee dossiermappen met politieverslagen en krantenknipsels leeg. Ze bevatten genoeg bloederige details om een mens de rest van zijn leven nachtmerries te bezorgen, maar wie niet kon slapen, kon ook geen nachtmerries krijgen. In een poging het zich comfortabel te maken in de harde stoel, trok ze haar blote benen op en trok haar voeten onder zich. Haar sweater van de Green Bay Packers was uitgerekt en uit zijn model geraakt door het vele wassen. Hij bedekte amper haar dijen, maar was nog altijd het zachtste nachthemd dat ze bezat. De trui was een stukje veiligheid geworden waardoor ze zich een beetje thuis voelde, hoever ze ook van huis was. Daarom weigerde ze er afstand van te doen, ondanks Gregs voortdurende aanmerkingen.
Weer keek ze op de klok. Ze had Greg moeten bellen bij haar terugkomst in het hotel. Inmiddels was het te laat. Nou ja, misschien was het ook wel beter zo. Ze hadden allebei tijd nodig om af te koelen.
Ze keek haar papieren en aantekeningen door: pagina’s met bijzonderheden, kleine observaties, waarvan sommige voor anderen waarschijnlijk onbelangrijk leken. Uiteindelijk zou ze uit dit alles een profiel van de moordenaar samenstellen. Ze had het al zo vaak gedaan. Soms kon ze zo’n nauwkeurig beeld van de moordenaar geven, dat het zelfs zijn lengte, zijn kleur haar en – in één geval – zijn aftershave bevatte. Deze keer zou het echter moeilijker zijn, simpelweg omdat de meest voor de hand liggende verdachte al geëxecuteerd was. Bovendien was het altijd extra moeilijk om in de zieke, weerzinwekkende geest van een kindermoordenaar te kruipen.
Voorzichtig pakte ze de ketting met het zilveren medaillon, die op de hoek van de tafel lag. Het leek op het medaillon dat Danny Alverez had gedragen, maar dit was van haarzelf. Ze had het van haar vader gekregen, bij haar eerste heilige communie.
‘Zolang je dit draagt, zal God je beschermen tegen alle kwaad,’ had haar vader gezegd.
Zijn eigen medaillon had hem echter niet kunnen redden. Ze vroeg zich af of hij die avond dat brandende gebouw was binnen gegaan in de overtuiging dat God hem zou beschermen.
Tot een maand daarvoor had ze het medaillon trouw gedragen, waarschijnlijk meer uit gewoonte en als herinnering aan haar vader dan vanuit een gevoel van spiritualiteit. Op de dag dat ze de kist met haar vader in de koude, harde aarde had zien wegzinken, was ze gestopt met bidden. Geen van haar catechismuslessen had een meisje van twaalf kunnen uitleggen waarom God het nodig had gevonden haar haar vader af te nemen.
Eigenlijk had ze het hele katholieke geloof uit haar leven gebannen tot ze acht jaar eerder op het gerechtelijk laboratorium in Quantico was gaan werken. Toen was ze ineens de zin gaan zien van de gruwelijke illustraties in haar catechismus: illustraties van demonen met hoorns en gloeiende, rode ogen. Het kwaad bestond wel degelijk. Ze had het gezien in de ogen van moordenaars. Ze had het gezien in de ogen van Albert Stucky. Het was een ironische speling van het lot dat het kwaad haar weer dichter bij God had gebracht.
Maar Albert Stucky had haar geconfronteerd met de vraag of God zich misschien van de mensheid had afgekeerd. De nacht waarin ze Stucky twee vrouwen had zien afslachten, was ze naar huis gegaan en had ze de ketting met haar medaillon afgedaan. Hoewel ze zich er niet meer toe kon zetten het weer te dragen, droeg ze het echter nog altijd bij zich.
Ze streek met haar vingers over het gladde metaal en vroeg zich af wat Danny Alverez moest hebben gevoeld. Wat hij moest hebben gedacht toen de krankzinnige moordenaar hem had beroofd van wat die misschien als zijn laatste bescherming had gezien. Had Danny Alverez, net als haar vader, zijn laatste hoop gevestigd gehad op een dood stuk metaal?
Haar vingers klemden zich strak om het medaillon. Ze haalde uit met haar arm en stond op het punt de waardeloze amulet door de kamer te slingeren toen er zachtjes op de deur werd geklopt. Instinctief haalde ze haar Smith & Wesson .38 uit zijn holster toen ze overeind kwam. Op blote voeten liep ze naar de deur. Ze voelde zich kwetsbaar in niets anders dan haar sweater en haar slipje. Ze klemde haar vingers om de revolver, in de hoop daaraan kracht te ontlenen. Door het kijkgaatje in de deur zag ze dat het sheriff Morrelli was. De spanning stroomde uit haar schouders. Op een kiertje deed ze de deur open.
‘Sheriff? Wat is er aan de hand?’
‘Sorry dat ik zomaar kom aankloppen. Ik heb geprobeerd te bellen, maar de nachtportier zit al meer dan een uur aan de telefoon.’
Hij zag er uitgeput uit. Zijn blauwe ogen waren rood en gezwollen; zijn korte haar piekte alle kanten uit, en zijn gezicht was ongeschoren. Zijn overhemd hing over zijn broek en piepte aan de achterkant onder zijn spijkerjack uit. Ze zag dat zijn overhemd maar half was dichtgeknoopt, zodat zijn donkere, krullende borsthaar erbovenuit kwam. Haastig wendde ze haar hoofd af, geërgerd omdat haar blik erop was gevallen.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze nogmaals.
‘Er wordt weer een jongen vermist.’ Het klonk alsof hij de woorden nauwelijks over zijn lippen kon krijgen.
‘Dat kan niet.’ Terwijl ze het zei, wist ze echter dat het wel degelijk kon. Albert Stucky had zijn vierde slachtoffer nog geen uur na de ontdekking van het derde gemaakt. De mooie, blonde studente was in stukken gesneden en gedeeltelijk in afhaalverpakkingen gestopt, die waren gevonden in de afvalcontainer achter een restaurant waar Stucky eerder die avond had gegeten.
‘Ik heb mijn mannen opdracht gegeven van deur naar deur te gaan en alle straten, parken en landerijen af te zoeken.’ Hij wreef over zijn stoppelige kaak. Zijn blauwe ogen stonden waterig. ‘Het joch liep naar huis na een voetbalwedstrijd. Het was een stukje van vijf minuten.’ Hij keek haastig de gang door om Maggies blik te ontwijken, zogenaamd om zich ervan te overtuigen dat de gang er verlaten bij lag.
‘Misschien kunt u beter even binnenkomen.’ Maggie hield de deur voor hem open.
Na een lichte aarzeling kwam hij langzaam de kamer binnen. Zodra hij zich naar haar omdraaide, wendde hij zich haastig weer af, duidelijk in verlegenheid gebracht. Ze was vergeten dat ze alleen maar een sweater aan had.
‘Neem me niet kwalijk. Heb ik u wakker gemaakt?’ Opnieuw keek hij haar aan. Deze keer vonden zijn ogen de hare.
Ze voelde dat haar gezicht begon te gloeien. Zo nonchalant mogelijk liep ze langs hem heen naar de ladekast.
‘Nee, ik was nog op.’ Ze deed haar revolver weer in de holster, trok een van de laden open en viste er een spijkerbroek uit. Terwijl Morrelli begon te ijsberen in de kleine ruimte tussen het bed en de tafel, trok ze hem haastig aan.
‘Had ik al gezegd dat ik eerst heb geprobeerd te bellen?’
Ze keek op. In de spiegel zag ze dat hij naar haar keek. Hun ogen ontmoetten elkaar opnieuw.
‘Ja, dat had u al gezegd. Het geeft niet.’ Ze worstelde met de rits. ‘Ik zat mijn aantekeningen door te kijken.’
‘Ik was bij die wedstrijd,’ zei hij zacht.
‘Welke wedstrijd?’
‘Die voetbalwedstrijd. Waar die jongen van naar huis liep. Mijn neefje moest spelen. Jezus, Timmy kent dat kind waarschijnlijk.’ Hij bleef de kamer op en neer lopen, die door zijn grote stappen zelfs nog kleiner leek.
‘Weet u zeker dat het kind niet met een vriendje mee naar huis is gegaan?’
‘We hebben alle andere ouders gebeld. Zijn vriendjes herinnerden zich dat ze hem naar huis hadden zien lopen. En zijn voetbal is gevonden. Met de handtekening van de een of andere beroemde voetballer. Volgens zijn moeder is die bal alles voor hem. Hij zou hem nooit zomaar op straat hebben laten slingeren.’ Met zijn mouw veegde hij over zijn gezicht.
Maggie zag de paniek in zijn ogen. Het was duidelijk dat hij op dit soort situaties niet was voorbereid. Wat voor ervaring zou hij hebben met crisisbestrijding, vroeg ze zich af. Zuchtend streek ze door haar verwarde haar. Het zou waarschijnlijk haar taak zijn om te zorgen dat hij zijn kop erbij hield.
‘Misschien kunt u beter gaan zitten, sheriff.’
‘Bob Weston stelde voor een lijst te maken van pedofielen en plegers van zedendelicten. Moet ik ze laten oppakken voor ondervraging? Kunt u me enige aanwijzing geven waar ik moet beginnen met zoeken?’ Tijdens het lopen wierp hij een blik op de papieren die op de tafel lagen uitgespreid.
‘Waarom gaat u niet zitten, sheriff?’
‘Ik loop liever.’
‘Ik sta erop dat u gaat zitten.’ Ze pakte hem bij zijn schouders en drukte hem zachtjes in een stoel aan de tafel. Even leek het erop dat hij meteen weer zou opstaan, toen strekte hij zijn lange benen.
‘Had u al een verdachte na de zaak Alverez?’ vroeg ze.
‘Alleen zijn vader. Zijn ouders zijn gescheiden. De vader was uit de ouderlijke macht ontzet en mocht het kind niet bezoeken vanwege zijn drankmisbruik en zijn gewelddadige neigingen. We hebben hem niet kunnen opsporen. Jezus, zelfs de luchtmacht kan hem niet vinden! Hij was majoor, hier op de basis, maar twee maanden geleden is hij ineens vertrokken. Weggelopen met een meisje van zestien dat hij had leren kennen via het internet.’
Ze betrapte zichzelf erop dat zij nu liep te ijsberen. Misschien had ze er niet op moeten aandringen dat hij ging zitten. Het feit dat zijn volledige aandacht op haar was gericht, maakte het haar moeilijk logisch na te denken. Ze wreef in haar ogen en besefte hoe uitgeput ze was. Hoe lang kon een mens nog functioneren zonder slaap?
‘Hoe staat het nu met die opsporing? Hebt u al enige vordering gemaakt?’
‘We zijn gestopt.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘We zijn gestopt met zoeken nadat Danny was gevonden. Volgens Weston kan zijn vader het niet geweest zijn. Hij beweert dat geen enkele vader zijn zoon zoiets zou kunnen aandoen.’
‘Ik heb met eigen ogen gezien wat vaders hun zoons kunnen aandoen. Een jaar of drie, vier geleden was er een geval van een vader die zijn zoontje van zes in een kist in de achtertuin had begraven. Met alleen een klein luchtgaatje zodat hij door een stuk tuinslang kon ademhalen. Bij wijze straf voor iets wat het kind had gedaan. Ik weet niet eens meer wat het was. Nadat het een paar dagen had geregend kon de vader het luchtgat niet meer vinden. In plaats van zijn hele achtertuin open te graven, deed hij alsof het kind ontvoerd was. Zijn vrouw deed mee met de hele krankzinnige vertoning. Waarschijnlijk omdat ze niet ook in een kist wilde eindigen. Misschien moet u toch naar Mr. Alverez blijven zoeken. Zei u niet dat hij gewelddadig was?’
‘Ja, het is een schoft. Hij sloeg zijn vrouw en Danny regelmatig, ook na de scheiding. Er is al minstens vijf keer een straatverbod tegen hem uitgevaardigd. Maar wat zou hij met deze nieuwe zaak te maken kunnen hebben? Ik geloof niet eens dat Matthew Tanner Danny Alverez kende.’
‘Er is misschien ook geen verband. Tenslotte weten we nog niet zeker dat ook deze tweede jongen door iemand is meegenomen. Het kan nog altijd blijken dat hij toch bij een vriendje zit. Of misschien is hij gewoon weggelopen.’
‘Oké.’ Hij zuchtte, maar leek niet overtuigd. Toen liet hij zich wat verder onderuit in zijn stoel zakken om zijn hoofd tegen de rugleuning te leggen. ‘Maar u gelooft ook niet echt dat hij is weggelopen, hè?’
Ze keek hem aan. Ondanks zijn paniek en zijn verwarring wilde hij de waarheid horen. Ze besloot open kaart met hem te spelen. ‘Nee. Ik denk het ook niet. Ik wist dat de moordenaar weer zou toeslaan. Ik had alleen niet gedacht dat hij het zó snel zou doen.’
‘Waar moet ik beginnen? Bent u al iets meer over hem te weten gekomen?’
Ze liep om de tafel heen en keek naar de verzameling foto’s, aantekeningen en verslagen. ‘Hij gaat uiterst zorgvuldig te werk en neemt er de tijd voor. Niet alleen voor de moord, maar ook daarna, om de boel op te ruimen. Hoewel hij dat niet doet om zijn sporen uit te wissen. Dat schoonmaken… vormt een onderdeel van zijn ritueel. Ik denk dat hij het misschien al eerder heeft gedaan.’ Ze bladerde door haar aantekeningen. ‘Hij is beslist niet jong en onvolwassen,’ vervolgde ze. ‘Op de plaats van het misdrijf wees niets op een worsteling. Dat betekent dat het slachtoffer al eerder geboeid moet zijn geweest. En dat betekent vervolgens weer dat de moordenaar sterk genoeg moet zijn om een jongen van een kilo of dertig zo’n drie- tot vijfhonderd meter te dragen. Ik vermoed dat hij ergens in de dertig is, ongeveer één meter tachtig lang, negentig kilo zwaar. Hij is blank. Een ontwikkelde, intelligente man.’
Tijdens haar opsomming was Morrelli rechtop gaan zitten, plotseling alert en geïnteresseerd.
‘Weet u nog wat ik in het ziekenhuis zei? Dat het erop leek alsof de moordenaar Danny Alverez de laatste sacramenten had toegediend? Dat zou betekenen dat de moordenaar katholiek is. Misschien niet praktiserend, maar zijn religieuze schuldgevoel is nog altijd sterk. Zo sterk, dat het medaillon met het kruis hem stoorde. Vandaar dat hij het van de hals van het slachtoffer trok. Het heilig oliesel was waarschijnlijk bedoeld als boetedoening voor zijn zonden. U zou eens kunnen controleren of deze laatste jongen, Matthew Tanner…’ Ze keek Nick aan om zich ervan te overtuigen dat de naam klopte. Toen hij knikte, vervolgde ze: ‘Om te kijken of die tot dezelfde kerk behoorde als Danny Alverez.’
‘Dat lijkt me onwaarschijnlijk,’ zei Nick. ‘Danny ging vlak bij de basis naar school en naar de kerk. De Tanners wonen maar een paar straten van St. Margaret’s. Ik weet trouwens niet eens of ze katholiek zijn.’
‘De kans bestaat dat de moordenaar de jongens niet kende.’ Maggie begon weer te ijsberen. ‘Misschien zocht hij gewoon gemakkelijke slachtoffers. Jongens die alleen op straat liepen. Ik denk dat hij op de een of andere manier nog altijd iets met de katholieke kerk te maken heeft, en het is heel goed mogelijk dat het om een kerk in de buurt gaat. Het lijkt merkwaardig, maar dit soort kerels blijft meestal in hun eigen, vertrouwde gebied.’
‘U zei dat hij het misschien al eerder heeft gedaan. Zou het kunnen zijn dat hij een strafblad heeft? Misschien wegens kindermishandeling of een seksueel misdrijf? Of misschien omdat hij een homovriendje in elkaar heeft geslagen?’
‘U gaat ervan uit dat hij homo is of pedofiel?’
‘Een volwassen man die zoiets met kleine jongens doet… Dat lijkt me toch een redelijke veronderstelling?’
‘Nee, dat is het helemaal niet. Misschien maakt hij zich zórgen dat hij homo is. Het kan zelfs zijn dat hij homoseksuele neigingen heeft, maar volgens mij is hij het niet. En ik geloof ook niet dat we met een pedofiel te maken hebben.’
‘En dat concludeert u allemaal uit het bewijsmateriaal dat we hebben gevonden?’
‘Nee, dat zeg ik op basis van bewijzen die we niet hebben gevonden. Alles wijst erop dat het slachtoffer niet seksueel is misbruikt. Er zijn geen sporen van zaad gevonden in de mond of in het rectum, hoewel die verwijderd kunnen zijn. Maar er waren ook geen tekenen van penetratie of van enige vorm van seksuele stimulatie. Hetzelfde gold trouwens voor twee van de drie slachtoffers van Ronald Jeffreys.’ Ze controleerde haar aantekeningen. ‘Alleen Bobby Wilson was seksueel misbruikt. De sporen waren maar al te duidelijk. Er had veelvuldige penetratie plaatsgevonden; er waren kneuzingen en gescheurd weefsel.’
‘Wacht eens even. Als deze vent probeert Jeffreys na te doen, in hoeverre kunnen we uit zijn daden dan iets over zijn persoon afleiden?’
‘Omdat dit soort mensen vaak kiest voor moorden die tot hun eigen verbeelding spreken. Soms voegen ze er persoonlijke accenten aan toe. Uit niets blijkt dat Jeffreys zijn slachtoffers ook de laatste sacramenten toediende, hoewel dat gemakkelijk over het hoofd kan zijn gezien.’
‘Vlak voor zijn executie heeft hij om een priester gevraagd om te biechten.’
‘Hoe weet u dat?’ Ze keek op hem neer en besefte ineens dat ze half op de leuning van zijn stoel was gaan zitten. Haar dij drukte tegen zijn arm. Haastig richtte ze zich op. Hij scheen het niet te merken.
‘U weet waarschijnlijk dat mijn vader de sheriff was die Jeffreys voor de rechter heeft gebracht. Vandaar dat hij vooraan zat bij de executie.’
‘Zou ik hem een paar vragen kunnen stellen?’
‘Mijn moeder en hij hebben een paar jaar geleden een camper gekocht. Ze zijn het hele jaar op reis. Af en toe bellen ze, maar ik zou niet weten hoe ik ze te pakken moest krijgen. Zodra hij iets over deze zaak hoort, neemt hij ongetwijfeld contact op, maar dat kan nog wel even duren.’
‘En de priester? Is die op te sporen?’
‘Dat is geen probleem. Father Francis is nog altijd verbonden aan St. Margaret’s. Ik vraag me alleen af of we daar veel aan zullen hebben. Hij zal ongetwijfeld niets willen zeggen over Jeffreys’ biecht.’
‘Toch zou ik hem graag een paar vragen willen stellen. En we moeten met de Tanners praten. U bent blijkbaar al bij ze geweest?’
‘Alleen bij zijn moeder. Matthews ouders zijn gescheiden.’
Maggie keek hem aan. Toen begon ze door haar papieren te bladeren.
‘Wat is er?’ Nieuwsgierig boog Nick zich naar voren.
Even later had ze gevonden wat ze zocht. ‘De slachtoffers van Ronald Jeffreys waren alle drie afkomstig uit onvolledige gezinnen: moeders die hun zoons alleen grootbrachten.’
‘Wat wilt u daarmee zeggen?’
‘Dat de moordenaar zijn slachtoffers misschien helemaal niet willekeurig uitpikt. Ik had het mis toen ik zei dat hij eenvoudig wacht tot hij een jongen alleen op straat ziet lopen. Hij kiest zijn slachtoffers juist heel zorgvuldig uit. U zei dat Danny Alverez zijn fiets met kranten ergens tegen een hek had laten staan?’
‘Dat klopt. Hij was nog niet met zijn wijk begonnen.’
‘En er was geen spoor van een worsteling?’
‘Nee. Hij had zijn fiets keurig tegen het hek gezet. Alles wees erop dat hij vrijwillig met de moordenaar is meegegaan. Daarom dachten we ook dat het iemand moest zijn die hij kende. De kinderen hier zijn misschien niet zo wantrouwend als in de grote stad, maar ze weten drommels goed dat ze niet zomaar met iedereen mee mogen gaan. Dus ik denk niet dat Danny bij een wildvreemde in de auto zou zijn gestapt.’
‘Tenzij hij dacht dat het iemand was die hij kon vertrouwen.’
Maggie zag dat Morrelli steeds geschokter begon te kijken. Ze herkende de uitdrukking van paniek, de blik op het gezicht van mensen wanneer ze beseften dat de moordenaar iemand uit hun eigen gemeenschap zou kunnen zijn.
‘Wat bedoelt u daarmee? Dat het iemand is geweest die deed alsof hij hem of zijn moeder kende?’
‘Dat kan. Of iemand die er officieel uitzag, misschien zelfs in uniform.’ Maggie had het zo vaak zien gebeuren. Bij een uniform scheen niemand zich ooit af te vragen of de persoon in kwestie wel het recht had dat te dragen.
‘Misschien een militair uniform, zoals zijn vader?’ vroeg Nick.
‘Ja, of een witte doktersjas, of een politie-uniform.’