Hoofdstuk 10

 

 

 

Platte City deed Maggie denken aan de knusse plaatsjes die het decor vormden voor veel televisieseries. Ze had nooit begrepen wat zulke kleine stadjes zo aantrekkelijk maakte. Knus en gezellig betekende doorgaans saai en bevolkt door veel te nieuwsgierige mensen. Wanneer ze voor haar werk in zulke plaatsjes moest zijn, maakte dat haar prikkelbaar. Ze haatte de veronderstelde intimiteit en miste bijna onmiddellijk de irritante, maar vertrouwde geluiden van toeterende taxi’s en snelwegen. Nog erger was het dat ze zich tevreden moest stellen met Chinese afhaalmaaltijden van restaurants die Big Fred’s heetten en met waterige cappuccino uit de automaten van kleine supermarktjes.

Desondanks moest ze toegeven dat het een schitterende rit was geweest van Omaha hierheen. De bossen langs de Platte River boden een spectaculaire aanblik van vlammende tinten oranje en rood, afgewisseld met groen en goudgeel. De overweldigende geuren van naaldbomen en dreigende regenbuien vulden de lucht met een ergerlijk aangenaam aroma. Ondanks de kilte hield ze het autoraampje op een kier.

Op het moment dat ze de auto enigszins slippend tot stilstand bracht op een kruising, schoot boven haar hoofd een straaljager met donderend geraas langs de hemel. De auto trilde enigszins door de uitbarsting van lawaai, die nog lang nagalmde door de verlaten straten. Ze herinnerde zich dat er zo’n vijftien, twintig kilometer verderop een militaire luchtmachtbasis lag. Dus misschien had Platte City toch wel wát vertrouwde geluiden.

Met opzet nam ze een verkeerde afslag in het centrum. Dankzij de omweg zou ze misschien meteen enig inzicht in de gemeenschap krijgen. Op een hoek was een Pizza Hut gevestigd, met aan de overkant van de straat de vertrouwde buurtwinkel en een fonkelnieuwe McDonald’s. De goudgele M reikte hoger dan alle andere gebouwen in de verre omtrek. De enige die nog enigszins konden meekomen, waren een graansilo en een kerktoren.

Het spitse, ijzeren kruis op de kerk reikte naar de dikke wolken, die pas sinds enkele minuten waren komen aanrollen. Het parkeerterrein van de kerk liep leeg. Een lange rij auto’s met kerkgangers reed met een slakkengangetje de weg op, zodat Maggie in een verkeersopstopping belandde. Ze keek geduldig toe terwijl de kerkgangers elkaar de gelegenheid gaven achteruit te rijden en zich tussen de rij te voegen. Nee, het ging hier allemaal te georganiseerd. Zelfs een fatsoenlijke verkeersopstopping had hier geen schijn van kans.

Maggie wachtte tot ze een gaatje zag, gaf een ruk aan het stuur van de gehuurde Ford en maakte met krijsende banden een volledige draai. Hoofden werden naar haar omgedraaid; de rij met slakken stond stil en keek hoe ze in de tegenovergestelde richting wegscheurde. Ze keek in haar achteruitkijkspiegeltje. Er waren geen zwaailichten te zien die haar volgden, hoewel haar dat niet zou hebben verbaasd.

Volgens de informatie die ze van de website van het Bureau voor Toerisme van Nebraska had gehaald, was Platte City met zijn 3500 inwoners een nog altijd groeiende slaapstad voor forensen die hun werk hadden in Omaha, zo’n dertig kilometer naar het noordoosten en Lincoln, vijftig kilometer naar het zuidwesten. Dat verklaarde de fraaie, goed onderhouden huizen en buurten – sommige recentelijk gebouwd – ondanks het ontbreken van enige industriële bedrijvigheid.

Rond het plein in het centrum was een reeks winkels gevestigd en verder een postkantoor, Wanda’s Diner, een bioscoop en ten slotte een zaak die Paintin’ Place heette. Sommige winkels hadden vuurrode luifels, andere bloembakken in de vensterbanken, waarin de geraniums nog in volle bloei stonden. In het midden van het plein torende het gerechtsgebouw, opgetrokken uit rode baksteen, boven de rest van de bebouwing uit. Gebouwd in een tijd waarin chauvinisme het nog had gewonnen van kostenbesparing, was het getooid met een gedetailleerd reliëf van Nebraska’s verleden: huifkarren en door paarden getrokken ploegen, met daartussenin de weegschaal van Vrouwe Justitia.

Het hele plein was omringd door een fraai, smeedijzeren hek, recentelijk in de zwarte verf gezet. Het gerechtsgebouw nam slechts de helft van het plein in beslag. Paadjes met kinderkopjes, bronzen standbeelden, een marmeren fontein, een reeks banken en ouderwetse lantaarnpalen maakten van de rest een soort park, waar de inwoners van hun rust konden genieten.

Wat de meeste indruk op Maggie maakte, terwijl ze over de kronkelige paadjes liep, was het ontbreken van afval. Nergens waagde een McDonald’s-verpakking of een koffiebeker van piepschuim het de gewijde grond te bevuilen. In plaats daarvan lagen de paden bezaaid met reusachtige esdoorn- en plataanbladeren, die ze rood en goud kleurden.

Binnen, in de hal van het gerechtsgebouw, tikten Maggies hakken op de marmeren vloer. Het geluid werd weerkaatst door het hoge, gewelfde plafond. Er was niemand die de ingang bewaakte. Zelfs een balie met een receptioniste ontbrak. Een blik op het bord aan de muur vertelde Maggie dat het bureau van de sheriff zich, samen met verscheidene rechtszalen en de plaatselijke gevangenis, op de derde verdieping bevond.

In plaats van de lift te nemen, koos ze voor de trap, een open spiraal die haar een panoramische blik op het atrium bood. Zowel in de trappen als de vloer was kwistig met wit en grijs marmer gewerkt. Leuningen en deuropeningen waren van degelijk eikenhout en glanzend koper. Ze betrapte zichzelf erop dat ze op haar tenen liep.

Het bureau van de sheriff bood een verlaten aanblik, hoewel uit een van de achtervertrekken een geur van verse koffie kwam, vergezeld van het geluid van een kopieerapparaat. De klok aan de muur stond op half twaalf.

Maggie keek op haar horloge. Het stond nog op de tijd van de oostkust. Ze verzette het terwijl ze naar een van de ramen op het zuiden liep. De dikke, grijze wolken onttrokken de zon inmiddels volledig aan het zicht. Er was geen stukje blauwe lucht meer te zien. Beneden haar lagen de straten er nog altijd verlaten bij. Uit Wanda’s Diner kwamen een paar klanten, gekleed in hun zondagse goed. Achter de bioscoop deponeerde een kleine man met grijs haar vuilnis in een reusachtige afvalcontainer.

Het was nog geen twaalf uur, en ze was nu al uitgeput. Dat was niet zo vreemd na haar ruzie met Greg en de zoveelste slapeloze nacht waarin ze op de vlucht was geslagen voor visioenen van Albert Stucky. Bovendien had de turbulente vlucht van die ochtend haar op duizenden meters boven de grond volledig van haar gevoel van controle beroofd. Ze haatte vliegen, en hoe vaak ze ook vloog, haar afschuw werd er niet minder op.

Het was een kwestie van controle, hield haar moeder haar voortdurend voor. ‘Je moet het loslaten, lieverd. Je kunt niet verwachten dat je vierentwintig uur per dag alles onder controle hebt.’

En dat uit de mond van iemand die, na twintig jaar therapie, nog altijd moeite had met het begrip ‘zelfbeheersing’. Een vrouw die haar verdriet om haar overleden echtgenoot naar de achtergrond drong door zichzelf elke vrijdagavond laveloos te drinken en het bed te delen met degene die haar op de borrels had getrakteerd.

Eerst had ze de mannen altijd mee naar huis genomen. Pas nadat een van de mannen in kwestie een triootje met moeder en dochter had voorgesteld, had ze haar veroveringen niet meer mee naar huis genomen, maar was ze met hen naar een motel gegaan. Maggie had de indruk gekregen dat het idee om haar twaalfjarige dochter in haar seksuele avonturen te betrekken, haar moeder niet zozeer had vervuld met afschuw als wel met jaloezie.

Ze wreef over haar pijnlijke nek, zoals altijd gespannen wanneer ze aan haar moeder dacht. Had ze maar eerst een hotel gezocht en wat gegeten, voordat ze hierheen was gekomen, bedacht ze spijtig. Maar nadat ze tijdens de vlucht het dossier Ronald Jeffreys van A tot Z had doorgenomen, had ze staan te popelen om te beginnen. De recente moord vertoonde inderdaad alle kenmerken van Jeffreys’ werkwijze, tot en met de rafelige x die in de borst van het slachtoffer was gekerfd. Nabootsers waren vaak uiterst nauwkeurig. Het tot in de kleinste bijzonderheden imiteren van een misdrijf leek hun kick alleen maar te vergroten. Dat maakte hen soms nog gevaarlijker dan de oorspronkelijke moordenaar, omdat de passie ontbrak en daarmee de neiging fouten te maken.

‘Kan ik u helpen?’

Maggie schrok op uit haar gedachten en draaide zich met een ruk om. De jonge vrouw die als uit het niets was verschenen, zag er totaal anders uit dan wat Maggie zich had voorgesteld bij iemand die op het bureau van een sheriff werkte. Haar lange haar was veel te hoog opgekamd en stond stijf van de lak. Haar wollen rok was te kort en te strak. Ze zag eruit als een tiener die zich mooi had gemaakt voor een afspraakje.

‘Ik kom voor sheriff Morrelli.’

De vrouw nam Maggie wantrouwend op en bleef bijna uitdagend in de deuropening staan, alsof ze de vertrekken daarachter moest bewaken.

Maggie besefte dat ze een officiële indruk maakte in haar marineblauwe blazer en broek. Een uitmonstering die ze met opzet had gekozen om haar slanke figuur te verbergen, dat afbreuk deed aan haar gezag. Al vroeg in haar carrière had ze zich een abrupte, kortaangebonden manier van optreden aangewend om serieus te worden genomen. Met haar één meter vijfenzestig en haar tweeënvijftig kilo voldeed ze maar amper aan de fysieke vereisten voor een FBI-agent.

‘Nick is er niet,’ zei de vrouw op een toon die Maggie duidelijk maakte dat ze niet van plan was meer informatie te verstrekken. ‘Had u een afspraak?’ De vrouw sloeg haar armen over elkaar en maakte zich zo lang mogelijk in een poging haar gezag te onderstrepen.

Maggie liet haar blik opnieuw door het kantoor gaan en ging niet op de vraag in, om duidelijk te maken dat ze niet onder de indruk was. ‘Is hij bereikbaar?’ Quasi-geïnteresseerd keek ze even naar het mededelingenbord met een foto van een gezochte misdadiger die nog uit begin jaren tachtig dateerde, een aankondiging van een Halloween-feest en een briefje waarop een Ford pick-up uit 1990 te koop werd aangeboden.

‘Luister eens, ik wil niet onbeleefd zijn…’ De jonge vrouw leek ineens een beetje onzeker. ‘Waar moet u Nick, eh… sheriff Morrelli precies over spreken?’

Ze zag er ineens ouder uit, constateerde Maggie, met duidelijk zichtbare lijntjes rond haar mond en haar ogen. Wiebelend op haar hoge naaldhakken, beet ze nerveus op haar onderlip.

Op het moment dat Maggie in de zak van haar jasje reikte om haar FBI-badge tevoorschijn te halen, kwamen er twee mannen luidruchtig binnenlopen. De oudste droeg het bruine uniform van een hulpsheriff. Hij zag er onberispelijk uit, met een keurig geperste broek, zijn das strak gestrikt en zijn met gel bewerkte zwarte haar zorgvuldig naar achteren gekamd. De jongste van de twee was daarentegen gehuld in een grijs T-shirt, nat van het zweet, een korte broek en sportschoenen. Zijn korte, donkerbruine haar plakte verward op zijn voorhoofd. Ondanks de slordige aanblik die hij bood, zag hij er goed uit, met gespierde, lange benen, een slanke taille en brede schouders. Ze ergerde zich aan zichzelf omdat ze dergelijke bijzonderheden opmerkte.

De twee mannen staakten abrupt hun gesprek zodra ze haar zagen. Er viel een stilte, waarin hun blikken van Maggie naar de jonge vrouw in de deuropening gingen.

‘Hallo, Lucy. Alles onder controle?’ vroeg de jongste van de twee, terwijl hij zijn blik over Maggies gestalte liet gaan. Toen zijn ogen de hare ontmoetten, glimlachte hij goedkeurend.

‘Ik probeer er net achter te komen wat deze dame –’

‘Ik kom voor sheriff Morrelli,’ viel Maggie haar ongeduldig in de rede. Ze had er genoeg van te worden behandeld als een soort belastingcontroleur.

‘Waarover moet u hem spreken?’ vroeg de hulpsheriff met een bezorgde rimpel in zijn voorhoofd. Hij rechtte zijn rug alsof zijn waakzaamheid was gewekt.

Maggie ging met haar vingers door haar haren en telde in gedachten tot tien. Toen haalde ze haar badge tevoorschijn. ‘Ik ben van de FBI.’

‘Bent u Special Agent O’Dell?’ vroeg de jongste van de twee, eerder in verlegenheid gebracht dan verrast.

‘Inderdaad.’

‘Sorry voor het derdegraads verhoor.’ Hij veegde zijn hand af aan zijn T-shirt en stak haar die toe. ‘Ik ben Nick Morrelli.’

Blijkbaar was haar verrassing duidelijk zichtbaar, want hij glimlachte om haar reactie. Ze had al genoeg te maken gehad met sheriffs in kleine plaatsjes om te weten dat die er doorgaans heel anders uitzagen dan Nick Morrelli, die meer aan een beroepssporter deed denken. Het type dat je hun arrogantie vergaf door hun charme en hun aantrekkelijke uiterlijk. Zijn hemelsblauwe ogen vormden een opvallend contrast met zijn gebruinde huid en zijn donkere haar. Hij gaf een stevige hand, niet zoals sommige mannen die blijkbaar het gevoel hadden dat ze vrouwen voorzichtig moesten aanpakken, maar ondertussen keken zijn ogen haar aan alsof er behalve hen beiden niemand anders in het vertrek was. Ongetwijfeld een blik die hij voor vrouwen bewaarde.

‘Dit is hulpsheriff Eddie Gillick, en Lucy Burton hebt u blijkbaar al ontmoet. Het spijt me van de wat ongelukkige ontvangst. We zijn allemaal een beetje nerveus na alles wat er is gebeurd en na alle verslaggevers die we hier over de vloer hebben gehad.’

‘Nou, ik moet zeggen, de vermomming is op zijn minst boeiend te noemen.’ Deze keer liet Maggie haar blik langzaam over zijn lichaam gaan. Toen ze hem uiteindelijk aankeek, had de enigszins arrogante blik in zijn ogen plaatsgemaakt voor een zweem van verlegenheid.

‘Ik kom net terug uit Omaha, van de Corporate Cup Run,’ vertelde hij haastig, bijna gretig om haar de situatie uit te leggen. Hij verplaatste zijn gewicht van de ene naar de andere voet. ‘Die wordt georganiseerd om geld op te halen voor de kankerbestrijding… of misschien is het wel de hartstichting. Ik weet het niet eens meer. Hoe dan ook, het is voor een goed doel.’

‘U bent mij geen verklaring verschuldigd, sheriff Morrelli,’ zei ze, hoewel ze aangenaam getroffen was door dit bewijs van het gezag dat ze uitstraalde.

Er viel een ongemakkelijke stilte. Ten slotte schraapte hulpsheriff Gillick zijn keel. ‘Ik moet weer aan het werk.’ Hij glimlachte naar Maggie. ‘Aangenaam kennis met u te hebben gemaakt, Miss O’Dell.’

‘Agent O’Dell,’ verbeterde Morrelli hem.

‘Natuurlijk, neem me niet kwalijk.’ Enigszins van zijn stuk gebracht, maakte de hulpsheriff zich haastig uit de voeten.

‘We komen elkaar ongetwijfeld nog wel tegen,’ zei Maggie, waarmee ze zijn ongemak alleen maar vergrootte.

‘Ruik ik verse koffie, Lucy?’ vroeg Morrelli met een jongensachtige glimlach.

‘Ik heb net verse gezet. Zal ik je een kop inschenken?’ Lucy’s stem klonk ineens stroperig en een octaaf hoger.

Maggie glimlachte bij het zien van de zwierige tred waarmee ze wegliep om koffie in te schenken voor de knappe sheriff.

‘Zou je ook een kop willen inschenken voor agent O’Dell?’ Hij glimlachte naar Maggie, terwijl Lucy haar over haar schouder een geërgerde blik toewierp.

‘Suiker en melk?’

‘Nee, bedankt. Voor mij geen koffie.’

‘Cola misschien?’ vroeg Morrelli, gretig om het haar naar de zin te maken.

‘Ja, lekker.’ Misschien gaf de suiker wat vulling aan haar lege maag.

‘Laat die koffie maar zitten, Lucy. Doe mij ook maar een cola.’

Na een vernietigende blik op Maggie draaide Lucy zich met een ruk om en verdween met een venijnig getik van haar hakken de gang door.

Maggie bleef alleen achter met de sheriff. Hij wreef over zijn armen, alsof hij zich plotseling slecht op zijn gemak voelde. Maggie besefte dat zij de reden was van zijn ongemak. Misschien had ze eerst moeten bellen. Etiquette was niet haar sterkste punt, maar in Platte City, Nebraska, werd daar waarschijnlijk grote waarde aan gehecht.

‘We zijn bijna achtenveertig uur onafgebroken in touw geweest. Dus we hadden besloten het vandaag wat rustig aan te doen.’ Opnieuw leek hij erop gebrand haar uit te leggen waarom het bureau er zo verlaten bij lag. ‘Ik had u hier op zijn vroegst pas morgen verwacht. Tenslotte is het vandaag zondag.’

Maggie betrapte zichzelf op de gedachte dat zijn jongensachtige charme waarschijnlijk minstens zo zwaar had gewogen als zijn deskundigheid bij zijn verkiezing tot sheriff.

‘Mijn superieuren gaven me de indruk dat tijd in deze zaak erg belangrijk was. Het lichaam van het slachtoffer wordt nog vastgehouden voor onderzoek?’

‘Ja, natuurlijk. Hij is…’ Hij wreef over zijn stoppelige kaken.

Plotseling ontdekte Maggie een klein litteken, een onregelmatige witte lijn, die zijn voor het overige volmaakte kaak ontsierde.

‘Het ligt in het mortuarium van het ziekenhuis.’ Hij wreef in zijn ogen.

Maggie vroeg zich af of het uitputting was of een poging om het beeld te verdringen dat hem waarschijnlijk tot in zijn slaap achtervolgde. Volgens de informatie die ze had gekregen, was Morrelli degene die de jongen had gevonden.

‘Als u dat wilt, kan ik u er wel heen brengen,’ voegde hij eraan toe.

‘Heel graag, maar ik wil eerst nog ergens anders heen.’

‘Natuurlijk. Ik neem aan dat u eerst uw koffers wilt uitpakken. Hebt u een kamer hier in de stad?’

‘Nee, dat bedoelde ik niet. Ik wil eerst naar de plek van het misdrijf.’ Ze zag dat hij verbleekte. ‘Ik wil dat u me laat zien waar u het lichaam hebt gevonden.’

Duister kwaad
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html
section-0085.html
section-0086.html
section-0087.html
section-0088.html
section-0089.html
section-0090.html
section-0091.html
section-0092.html
section-0093.html
section-0094.html
section-0095.html
section-0096.html
section-0097.html
section-0098.html
section-0099.html
section-0100.html
section-0101.html
section-0102.html
section-0103.html
section-0104.html
section-0105.html
section-0106.html
section-0107.html
section-0108.html
section-0109.html
section-0110.html