Hoofdstuk 81

 

 

 

Nick zag de donkere kerk in het achteruitkijkspiegeltje terwijl de jeep over de diepe bandensporen hobbelde: het enige waaraan hij de verlaten weg kon onderscheiden.

‘Weet je zeker dat je geen licht zag?’

Maggie keek over de achterkant van haar stoel. ‘Misschien was het de weerspiegeling van de maan.’

De kleine houten kerk zag er donker en grijs uit. Op het moment dat Nick een scherpe bocht maakte naar het kerkhof, verdween hij uit het achteruitkijkspiegeltje. Nu verscheen hij aan zijn linkerhand. Hij stond midden in een besneeuwde vlakte, waar hoge, bruine grassprieten door het wit staken. De verf was van het rottende hout afgebladderd. De glas-in-loodramen waren verwijderd of gebroken en dichtgespijkerd. Zelfs de reusachtige deur hing weg te rotten achter dikke planken, die er nogal willekeurig, in merkwaardige diagonalen overheen waren gespijkerd.

‘Het leek alsof er licht scheen,’ zei Nick. ‘Achter een van de kelderramen.’

‘Waarom ga je niet even kijken? Ik vermaak me voorlopig hier wel.’

‘Ik heb maar één zaklantaarn.’ Hij boog zich over haar heen, voorzichtig om haar niet aan te raken, en deed het handschoenenkastje open.

‘Dat maakt niet uit. Ik heb dit.’ Met een klein zaklampje scheen ze in zijn ogen.

‘Nou, daar zul je niet veel mee zien.’

Ze glimlachte en besefte plotseling hoe dicht zijn hand bij haar dij was. Haastig pakte hij de zaklantaarn en trok zijn hand terug.

‘Ik kan de koplampen aan laten,’ zei hij, hoewel ze over de rijen grafstenen heen op de bomen schenen.

‘Nee, maak je geen zorgen. Ik red me wel.’

‘Ik begrijp niet waarom ze kerkhoven altijd op heuvels bouwen.’ Hij zette de koplampen uit.

Vervolgens bleven ze allebei heel stil zitten, zonder aanstalten te maken uit te stappen. Er was meer dat haar bezighield. Hij had het gevoeld vanaf het moment waarop ze zijn kantoor hadden verlaten. Was het Albert Stucky? Deed deze plek – deze duisternis – haar aan hem denken?

‘Is alles goed met je?’

‘Ik voel me prima.’ Ze zei het te snel en bleef strak voor zich uit staren. ‘Ik zit gewoon te wachten tot mijn ogen aan het donker gewend zijn.’

Rond het kerkhof stond een omheining van scheefgezakte, ijzeren palen en verwrongen gaas. Het hek hing nog maar aan één scharnier en zwaaide knarsend heen en weer, hoewel er geen wind was. Er liep een rilling over Nicks rug. Deze plek had hij altijd gehaat. Al sinds hij een kind was en Jimmy Montgomery hem had uitgedaagd de heuvel op te rennen en de zwarte engel aan te raken.

Het was onmogelijk de engel over het hoofd te zien, zelfs in de donkere nacht. Vanuit deze hoek leek het alsof de hoge, stenen gedaante boven de andere grafstenen zweefde. Met zijn afgeschilferde vleugels zag hij er alleen nog maar dreigender uit. De herinnering dateerde van Halloween, bijna vijfentwintig jaar eerder. Ineens besefte hij dat het de volgende dag ook Halloween zou zijn. En hoewel het dwaas was, zwoer hij dat hij opnieuw het spookachtige gekreun kon horen. De gekwelde, holle kreten die volgens het gerucht uit de tombe opstegen die de engel bewaakte.

‘Heb je dat gehoord?’ Zijn blik schoot over de rijen. Hij deed de koplampen aan, besefte dat hij zich belachelijk gedroeg en deed ze weer uit. ‘Sorry,’ mompelde hij, Maggies blik ontwijkend toen hij voelde dat ze naar hem keek. Nog zo’n onnozele actie, en ze zou zich afvragen waarom ze hem in ’s hemelsnaam had gevraagd mee te komen. Gelukkig zei ze niets.

Alsof ze elkaars gedachten lazen, reikten ze tegelijkertijd naar de knop van hun portier. Het hare klemde weer.

‘Verdorie,’ mompelde hij. ‘Daar moet ik naar laten kijken. Wacht even.’

Hij sprong uit de jeep en haastte zich om de auto heen om het portier voor haar open te doen. Toen bleef hij zwijgend naast haar staan, gehypnotiseerd door het maanlicht dat op het gezicht van de engel viel, waardoor deze van binnenuit leek te stralen.

‘Nick, voel je je wel goed?’

‘Ja, natuurlijk.’ Hoe was het mogelijk dat ze het niet zag? Met moeite maakte hij zich los van de engel. ‘Ik ga even… de kerk controleren.’

‘Je jaagt me de stuipen op het lijf.’

‘Sorry. Het is alleen… nou ja, de engel.’ Hij gebaarde ernaar met zijn zaklantaarn.

‘Hij komt toch niet tot leven als de klok twaalf slaat?’

Ze maakte een grapje. Hij keek haar aan. Haar gezicht stond ernstig, hetgeen haar sarcasme nog extra benadrukte. Langzaam begon hij in de richting van de kerk te lopen. Zonder achterom te kijken, zei hij: ‘Bedenk wel dat het morgen Halloween is.’

‘Dat hadden we toch afgeblazen?’ riep ze terug.

Hij hield zijn glimlach voor haar verborgen. In plaats daarvan volgde hij het pad en de tunnel van licht die hij voor zich uitwierp. Zonder wind was het ondraaglijk stil. Ergens in de verte probeerde een bosuil zijn stem, maar hij kreeg geen antwoord.

Nick probeerde zich te concentreren en de drukkende duisternis, die hem met elke stap opslokte, te negeren. Het was belachelijk zich te laten meesleuren door zijn oude kinderangsten. Tenslotte wás hij die avond naar de andere kant van het kerkhof gelopen, en terwijl zijn vriendjes hadden toegekeken, had hij de engel aangeraakt. Ze hadden geen van allen aanstalten gemaakt hem te volgen. Hij was toen ook al roekeloos en stom geweest, banger voor wat anderen van hem zouden denken dan voor de gevolgen van zijn daden. Maar als hij zich goed herinnerde, had de aarde zich niet geopend om hem te verzwelgen, hoewel hij op dat moment wel dat gevoel had gehad. Vanuit de diepte had het spookachtige gekreun geklonken, en hij was niet de enige geweest die het had gehoord.

Aan deze kant van de kerk – de kant die uitkeek op de oude landweg – waren geen voetsporen te zien. Hetgeen betekende dat Adam en Lloyd niet eens de moeite hadden genomen uit hun auto te stappen. Ze waren er eenvoudig langsgereden, zodat ze naar eer en geweten hadden kunnen zeggen dat ze het hadden gecontroleerd. Hij vroeg zich af of ze zelfs waren gestopt. Adam verweet hij niets. Die was jong en wilde een goede indruk maken, deel uitmaken van de groep. Maar Lloyd… verdomme! Lloyd was gewoon lui.

Nick schopte naar de sneeuw en baande zich een weg door de onaangeroerde bergen opgewaaide sneeuw. Bij een van de kelderramen ging hij op zijn hurken zitten en liet het licht van zijn lantaarn tussen de verrotte planken door schijnen. Hij zag stapels kisten. In een hoek was beweging. Het licht viel op een reusachtige rat die ontsnapte door een gat in de muur. Ratten! Jezus, hij haatte ratten.

Terwijl hij naar het volgende raam liep, hoorde hij plotseling het geluid van versplinterend hout, dat als een explosie door de stille duisternis sneed. Hij bescheen de dichtgespijkerde ramen voor hem, in de verwachting iemand te zien die zich door de verrotte planken een weg naar buiten baande.

Weer gekraak, het geluid van nog meer hout dat versplinterde, gevolgd door het gerinkel van brekend glas. Blijkbaar was het de hoek om. Hij probeerde te rennen, maar de sneeuw vertraagde hem. Hij deed de zaklantaarn uit. Zijn hand gleed naar zijn wapen. De geluiden waren nog steeds te horen. Zijn hart bonsde tegen zijn ribben. Hij kon niets horen, niets zien. Toen hij de hoek naderde, begon hij langzamer te lopen. Moest hij roepen? Hij hield zijn adem in. Toen rende hij de hoek om, met zijn wapen voor zich uit, gericht op de duisternis. Niets! Hij deed de zaklantaarn weer aan. Stukken hout en glasscherven lagen verspreid in de sneeuw. De opening was niet groter dan dertig vierkante centimeter.

Toen hoorde hij het geluid van voetstappen die kraakten in de sneeuw. Het licht van zijn zaklantaarn viel op iets wat bewoog. Iets wat tussen de bomen verdween: een kleine, zwarte gedaante en een flits oranje.

Duister kwaad
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html
section-0085.html
section-0086.html
section-0087.html
section-0088.html
section-0089.html
section-0090.html
section-0091.html
section-0092.html
section-0093.html
section-0094.html
section-0095.html
section-0096.html
section-0097.html
section-0098.html
section-0099.html
section-0100.html
section-0101.html
section-0102.html
section-0103.html
section-0104.html
section-0105.html
section-0106.html
section-0107.html
section-0108.html
section-0109.html
section-0110.html