Hoofdstuk 14
Nogmaals reed hij het sportpark rond, deze keer langzaam. De wedstrijd was eindelijk afgelopen. Hij zette zijn auto op een hoek van het parkeerterrein, zo ver mogelijk bij de andere auto’s vandaan, en deed de koplampen uit. Vervolgens keek hij naar buiten, luisterend naar de muziek en wachtend tot de akkoorden van Vivaldi het bonzen achter zijn slapen het zwijgen zouden opleggen.
Het gebeurde wéér, en al zo snel! Hij kon er niets tegen doen; hij had er geen enkele controle over. En wat erger was, dat wilde hij ook helemaal niet. Hij was zo moe. Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij voor het laatst een hele nacht had geslapen, in plaats van te lopen ijsberen of door de straten te zwerven. Terwijl hij probeerde de uitputting uit zijn ogen te wrijven, merkte hij plotseling dat zijn vingers onbeheerst trilden.
‘Lieve God, maak dat het ophoudt,’ fluisterde hij, terwijl hij aan het haar op zijn slapen trok. Waarom hield het niet op? Zijn hoofd deed pijn van het bonzen, het beuken.
Hij keek naar de groep jongetjes in voetbalshirtjes, die onder de grasvlekken zaten. Ze zagen er zo gelukkig uit. Trots op hun overwinning sloegen ze hun armen om elkaar heen en klopten ze elkaar op de rug. Ze raakten elkaar zo onbekommerd, zo nonchalant aan. Hun zangerige stemmen werden steeds luider naarmate ze dichterbij kwamen, en uiteindelijk overstemden ze de klanken van Vivaldi met hun gebrabbel.
Allerlei herinneringen kwamen bij hem boven. Ze verlamden hem zodat hij zich niet kon verroeren op het harde leer van de autobekleding. Hij was elf. Zijn stiefvader had hem gedwongen op honkbal te gaan om hem op zaterdagochtend de deur uit te hebben, zodat hij de hele ochtend met zijn moeder in bed kon liggen.
De zaterdag daarvoor was hij toevallig hun kamer binnen gekomen, alleen omdat de melk op was. Ondanks de vele jaren die sindsdien waren verstreken, was de herinnering nog altijd overweldigend – en zo helder, zo levendig, dat hij zich aan het stuur moest vastgrijpen om zich schrap te zetten.
Hij stond in de deuropening van zijn moeders slaapkamer, verlamd door de aanblik van zijn moeders witte huid, van haar naakte, grote borsten, waartussen het zilveren kruis bengelde. Haar borsten zwaaiden heen en weer. Ze zat op handen en knieën terwijl zijn stiefvader haar nam als een hond.
Zijn stiefvader zag hem als eerste. Hijgend en nog steeds doorstotend, begon hij tegen hem te schreeuwen, terwijl de ogen van zijn moeder groot werden van afschuw. Ze werkte zich onder zijn stiefvader vandaan, viel uit bed en trok het laken om zich heen. Op dat moment draaide hij zich om en zette het op een rennen. Struikelend en na zelfs een keer gevallen te zijn, wist hij zijn kamer te bereiken, maar net toen hij de deur wilde dichtsmijten, kwam zijn stiefvader binnenstormen.
Hij was nog naakt. Het was voor het eerst dat hij de penis van een volwassen man zag, en hij vond het iets gruwelijks: een reusachtig, stijf lid omringd door dikke, zwarte haren. Zijn stiefvader greep hem bij zijn nek en duwde hem met zijn gezicht tegen de muur.
‘Als je het zo leuk vindt om te kijken, vind je dit misschien ook wel leuk.’ Nog altijd hoorde hij die hijgende, raspende stem in zijn oor.
Hij stond doodstil, niet in staat te ademen. De ene hand van zijn stiefvader sloot zich in een wurggreep om zijn hals terwijl hij met zijn andere hand zijn pyjamabroek naar beneden trok. Ondertussen stond zijn moeder schreeuwend met haar vuisten op de deur te bonken. Toen voelde hij het. Die verschrikkelijke druk, die verlammende pijn zodat hij dacht dat zijn lichaam uit elkaar zou scheuren. Nog steeds stond hij doodstil, hoewel hij het wel had willen uitschreeuwen. Zijn wang schuurde tegen de ruwe slaapkamermuur. Het enige wat hem restte, was naar het kruisbeeld aan die muur kijken, terwijl hij wachtte tot zijn stiefvader ophield met het teisteren van zijn kleine lichaam…
Er schalde een autotoeter. Hij schrok. Zijn handen sloten zich nog krampachtiger om het stuur. De binnenkant was zweterig; zijn vingers trilden nog steeds. Hij zag dat de jongens met hun ouders in de auto stapten. Hoeveel van hen liepen met net zulke geheimen rond als hij? Hoeveel van hen verborgen hun blauwe plekken en littekens? Hoeveel van hen wachtten op bevrijding, op verlossing van hun ellende? Hun marteling?
Toen zag hij de kleine jongen die naar de anderen zwaaide en de stoep begon af te lopen. Hij wachtte nog even. Zou er iemand met de jongen meegaan, of zou hij alleen naar huis lopen, zoals meestal?
Het begon al donker te worden. Overal gingen de straatlantaarns aan. Hij hoorde dat het grind knarste onder de vertrekkende auto’s. Koplampen verblindden hem, maar er waren er maar weinigen die hem zagen, en voor zover de mensen hem herkenden, glimlachten ze naar hem en zwaaiden ze. Het was tenslotte niets ongebruikelijks dat hij naar een voetbalwedstrijd in de buurt kwam kijken.
Enkele tientallen meters verderop liep de jongen, nog altijd alleen. Hij gooide zijn voetbal van zijn ene hand in zijn andere. In zijn wijde voetbalshirt zag hij er zo klein en tenger uit, zo verschrikkelijk kwetsbaar. Hij huppelde bijna, hoewel er niemand naar de wedstrijd was gekomen om hem te zien spelen. Misschien was hij aan zijn eenzaamheid gewend geraakt.
De laatste auto verliet het parkeerterrein. Hij legde Vivaldi het zwijgen op, midden in De Vier Jaargetijden: Herfst. Op de tast vonden zijn vingers het glazen flesje en druppelden ze wat vocht op zijn spierwitte zakdoek. Hij wenste dat die extra voorzorgsmaatregelen niet nodig waren, maar met Danny was hij wel erg roekeloos geweest. Hij pakte de zwarte bivakmuts, stapte uit de auto en sloot zachtjes het portier. Op slag merkte hij dat zijn handen niet langer trilden. Eindelijk had hij zijn gevoel van controle terug. Toen begon hij langzaam te lopen, achter de jongen aan.