Hoofdstuk 46
Toen de deur openging, rende Maggie alweer terug naar haar computer.
‘Kom binnen!’ Ze tikte haastig iets in op het toetsenbord van haar laptop en deed een stap naar achteren, met haar blik op het scherm gericht. ‘Ik ben bezig wat informatie op te vragen in Quantico. De uitkomsten zijn erg interessant.’
Langzaam kwam hij de kleine hotelkamer binnen. Vanuit de badkamer kwam de geur van haar shampoo en haar parfum. Ze droeg een spijkerbroek en dezelfde, sexy Packers-trui van de avond daarvoor. De kleur was verschoten en de hals zo uitgerekt, dat de trui van haar schouder was gegleden en haar blote huid onthulde. De gedachte dat ze niets onder de trui aan had, wond hem bijna ondraaglijk op. Hij probeerde zich op iets anders te concentreren.
Toen keek ze naar hem op, en er verscheen een geschokte uitdrukking op haar gezicht. ‘Wat is er met jou gebeurd?’
‘Christine heeft niet gewacht met publiceren. Er stond vanmorgen een verhaal in de krant.’
‘En Michelle Tanner heeft het gezien voordat je het haar kon vertellen?’
‘Min of meer. Ze had het gehoord.’
‘Heeft ze je geslagen?’
‘Nee,’ antwoordde hij nijdig. Toen besefte hij echter dat hij zich tegenover haar niet hoefde te verdedigen. ‘Haar ex-man, Matthews vader, kon zich niet beheersen.’
‘Jezus, Morrelli, je weet toch dat je moet duiken?’
Blijkbaar stond de woede nog altijd in zijn ogen te lezen, want ze voegde er haastig aan toe: ‘Sorry. Waarom doe je er niet wat ijs op?’
Anders dan Lucy wijdde Maggie zich weer aan het scherm van haar computer, zonder zich aan te bieden als verpleegster.
‘Hoe is het met je schouder?’
Ze keek weer op. Haar ogen ontmoetten de zijne. Bij de herinnering verzachtte haar uitdrukking. Toen wendde ze zich haastig af. ‘O, dat gaat wel.’ Ze rolde met haar schouder. ‘Hij is nog altijd behoorlijk pijnlijk.’
De Packers-trui gleed verder naar beneden, waardoor haar hele roomblanke schouder zichtbaar werd. Het leidde hem erg af. Het verlangen om haar aan te raken was een kwelling. Wat het allemaal nog erger maakte, was dat ze naast haar onopgemaakte bed stonden.
‘Dus je bent een fan van de Packers,’ zei hij om de stilte te doorbreken, terwijl zij aandachtig naar het scherm van haar computer keek.
‘Mijn vader is in Green Bay opgegroeid,’ zei ze zonder op te kijken. Het computerscherm veranderde snel terwijl ze haar blik over de tekst liet gaan. ‘Mijn man hamert er voortdurend op dat ik dat oude ding moet weggooien, maar het is een van de weinige dingen die ik nog van mijn vader heb. Het was zijn trui. Hij had hem altijd aan als we samen naar een wedstrijd keken.’
‘Hij hád hem aan?’
Het bleef even stil, en hij wist dat het niets te maken had met de informatie op het scherm. Ze stopte haar haren achter haar oren, iets wat hij inmiddels had leren kennen als een soort zenuwtrek.
‘Hij is omgekomen toen ik twaalf was.’
‘Wat erg voor je. Werkte hij ook voor de FBI?’
Ze ging staan en deed alsof ze zich uitrekte. Hij wist echter dat ze het deed om tijd te rekken. Het was maar al te begrijpelijk dat zijn vraag erg veel herinneringen bij haar opriep.
‘Nee, bij de brandweer. Hij is een heldendood gestorven. Dat hebben we gemeen, jij en ik.’ Met een glimlach keek ze naar hem op. ‘Met dit verschil dat jouw vader zijn heldendaad heeft overleefd.’
‘Mijn vader had dan ook erg veel hulp.’
Aandachtig keek ze hem aan, en hij wendde haastig zijn hoofd af, uit angst dat ze iets in zijn ogen zou lezen waarover hij nog niet wilde praten.
‘Je denkt toch niet dat hij iets te maken had met de manier waarop Jeffreys erin is geluisd?’ vroeg ze.
Omdat hij voelde dat ze naar hem keek, ging hij met opzet voor haar computer staan, zodat ze hem onmogelijk in zijn ogen kon kijken.
‘Híj had de meeste baat bij Jeffreys’ arrestatie. Ik weet niet wat ik moet geloven.’
‘Dit is het,’ zei ze, terwijl het scherm zich vulde met iets wat eruitzag als een verzameling krantenartikelen.
‘Wat is het dan?’ Hij boog zich naar voren. ‘De Wood River Gazette, november 1989. Waar ligt Wood River?’
‘In Maine.’ Ze liet de informatie over het scherm gaan, tot ze bij een bepaalde krantenkop was aangekomen. ‘Kijk!’
‘Kinderlijk gevonden bij de rivier, lichaam gruwelijk verminkt,’ las hij hardop. ‘Dat klinkt bekend.’ Hij begon het artikel te lezen, dat drie kolommen op de voorpagina in beslag nam.
‘Raad eens wie destijds een van de hulppastors was bij St. Mary’s Catholic Church in Wood River?’
Hij wreef over zijn kaak terwijl hij haar over zijn schouder aankeek. ‘Je hebt nog altijd geen enkel bewijs. Het is allemaal indirect. Waarom is deze zaak nooit ter sprake gekomen tijdens het proces tegen Jeffreys?’
‘Voor zover ik heb begrepen, heeft iemand anders de schuld op zich genomen. Iemand die tijdelijk aan de kerk verbonden was.’
‘Hoezo, de schuld op zich genomen? Waarom zou hij het niet gewoon hebben gedaan?’ De richting waarin ze dacht, stond hem helemaal niet aan. ‘Hoe ben je hierachter gekomen?’
‘Gewoon, een vermoeden. Toen ik Father Francis vanmorgen aan de telefoon had, vertelde hij dat Father Keller in zijn vorige parochie in Wood River, Maine, al een soortgelijk zomerkamp organiseerde.’
‘Dus je ging op zoek naar vermoorde jongens in dat gebied in de periode dat hij daar werkte.’
‘Ja, en ik hoefde niet erg hard te zoeken. De moord is identiek, tot en met de x op de borst. Of het nu indirecte bewijzen zijn of niet, Keller moet als verdachte worden beschouwd.’ Ze sloot het programma af en zette haar computer uit.
‘Ik heb over een uur afgesproken met George,’ vervolgde ze, ‘en daarna met Father Francis.’ Ze begon kleren uit de kast te halen en op het bed te leggen. ‘Ik moet vanavond naar Richmond. Mijn moeder ligt in het ziekenhuis.’ Ze ontweek zijn blik terwijl ze de laden leeghaalde.
‘Jezus, Maggie. Het is toch niets ernstigs?’
‘Waarschijnlijk niet… Ik denk dat het wel weer goed komt. Ik zal wat informatie voor je op een diskette zetten. Kun je met Microsoft Word werken?’
‘Ja, eh… ik geloof het wel.’ Hij voelde zich uit zijn evenwicht gebracht door haar zakelijke manier van doen. Was er iets aan de hand, of was ze alleen maar bezorgd om haar moeder?
‘Ik zal mijn aantekeningen van de autopsie bij George achterlaten. Mocht ik iets wijzer worden van Father Francis, dan bel ik je.’
‘Je komt niet terug, hè?’ Hij had het gevoel alsof hij een klap in zijn gezicht kreeg.
De directheid van zijn vraag schokte haar ook. Ze draaide zich naar hem om, hoewel haar blik van zijn gezicht via het lege computerscherm naar de chaos op het bed schoot. ‘Officieel is mijn werk afgerond. Je hebt een profiel en misschien zelfs een verdachte. Ik weet niet eens of ik wel betrokken moet zijn bij deze tweede lijkschouwing.’
‘Dus dat is het?’ Hij stopte zijn handen in zijn zakken, plotseling ziek bij de gedachte dat hij haar nooit meer zou zien.
‘Ik weet zeker dat het Bureau iemand anders stuurt om je te helpen.’
‘Maar jou niet?’ Hij zag vluchtig iets in haar ogen wat hij niet helemaal kon duiden. Was het spijt, verdriet? Wat het ook was, ze hield het voor hem verborgen. ‘Heeft dit iets te maken met wat er vanmorgen is gebeurd?’
‘Er is vanmorgen niets gebeurd.’ Met haar rug naar hem toe propte ze nijdig haar spullen in haar koffer. ‘Het spijt me als ik een verkeerde indruk heb gewekt.’ Toen keek ze hem over haar schouder aan. ‘Luister eens, Nick, ik wil niet ondankbaar klinken.’ Ze ging door met kleren opvouwen en in haar koffer stoppen.
Natuurlijk had ze geen verkeerde indruk gewekt. Het was allemaal zijn eigen schuld. Maar die spanning dan die er tussen hen bestond? Hij wist zeker dat hij zich die niet had verbeeld.
‘Ik zal je missen,’ zei hij tot zijn eigen verrassing.
Ze richtte zich op en draaide zich langzaam om. Deze keer keek ze hem wel aan.
Haar verrukkelijke bruine ogen bezorgden hem trillende knieën, als een tiener die zijn eerste vriendinnetje vertelde dat hij haar aardig vond. Lieve hemel, wat bezielde hem?
‘Je hebt het me verdomd lastig gemaakt, O’Dell, maar volgens mij ga ik het nog missen als je me het leven niet langer zuur maakt.’ Zo. Daarmee had hij zijn uitglijer goedgemaakt.
Glimlachend stopte ze haar haren achter haar oren. Blijkbaar had zij het ook niet allemaal onder controle.
‘Moet ik je naar het vliegveld brengen?’
‘Nee, ik heb een huurauto die ik moet inleveren.’
‘Nou, een goede vlucht dan maar.’ Het klonk koud, triest, terwijl hij het liefst zijn armen om haar heen had geslagen om haar te smeken niet weg te gaan. Met drie grote passen liep hij naar de deur, vurig hopend dat zijn knieën het niet zouden begeven.
‘Nick?’
Met zijn hand op de deurknop bleef hij staan. Ze aarzelde even, en hij zag dat ze van gedachten veranderde. Dat ze iets anders ging zeggen dan ze van plan was geweest.
‘Succes!’
Hij knikte en trok de deur achter zich dicht, met lood in zijn schoenen en een brok in zijn keel waardoor hij nauwelijks lucht kreeg.