De wind was aangewakkerd boven Kyllaj op deze grimmige novembermorgen toen Eduardo en Dolores Morales naar zee reden in hun huurauto. Een paar dagen geleden waren ze vanuit hun woonplaats Sevilla in het zuiden van Spanje naar Gotland gereisd om deel te nemen aan een conferentie over de overbevissing van Europa’s binnenzeeën. Aangezien ze allebei een hartstochtelijke interesse hadden voor de visserijgeschiedenis in verschillende landen behoorde Kyllaj tot het parelsnoer van visserijdorpjes langs de Gotlandse kust die het echtpaar Morales graag wilde bezoeken en fotograferen voor hun gestaag groeiende verzameling vergelijkbare vissersplaatsjes over de hele wereld.
Ze waren vroeg opgestaan, hadden genoten van een stevig Scandinavisch ontbijt in de eetzaal van het hotel in Visby en waren daarna naar het noorden vertrokken. Kyllaj stond boven aan hun lijstje, daarna zouden ze Lergrav afwerken voor ze verder reden naar het noorden, naar Bungeviken en Fårö.
Ze parkeerden hun auto bij de jachthaven, waar op dit moment geen boten lagen. Die waren allemaal voor de winter op het droge gehaald. Dolores Morales trok de rits van haar dikke jas omhoog voor ze uit de auto stapte. De wind beet in haar gezicht en deed haar ogen tranen. De kou en de duisternis in dit gebied waren onbeschrijfelijk. In deze tijd van het jaar ging de zon al om vier uur ’s middags onder en daarna was het pikkedonker. Ze zou zich van haar levensdagen niet kunnen voorstellen hoe de Zweden dit uithielden. Dat mensen op het absurde idee waren gekomen om zich hier zo ver naar het noorden te vestigen ging haar verstand te boven. Op dit moment was het drie graden boven nul en er waaide een stevige wind uit het noorden. De receptioniste in het hotel had gezegd dat dit nog niets was. De winter was nog niet eens begonnen. De echt snijdende kou kwam in januari en februari, als de zee rondom het eiland helemaal afgekoeld was. Dan kon de temperatuur zakken tot min tien, misschien zelfs tot min vijftien, maar dat kwam niet vaak voor op Gotland. Dolores Morales en haar man waren gewend te reizen, dus ze waren zo verstandig geweest om echt warme kleren mee te nemen.
Het vissersplaatsje bestond uit een reeks boothuizen bij het water, een eenvoudig haventje met plaats voor een stuk of tien boten en een paar aanlegsteigers. Er stonden een aantal stellages voor het drogen van netten naast elkaar, en verder nog twee palen waar hoog bovenin lampen bevestigd waren die ’s nachts brandden om de boten de haven in te loodsen.
Geheel volgens gewoonte gingen ze ieder een kant op en begonnen systematisch alles wat ze zagen vast te leggen. De plek bood een aanblik van totale verlatenheid, alsof ze zich aan het eind van de wereld bevonden, ver verwijderd van de beschaving. Ze loerden door de gordijnloze raampjes van de boothuizen, en zoals ze al verwacht hadden, lagen daar visgerei, netten en andere soorten werktuig opgeslagen.
Dolores wilde net voorstellen om weer naar de auto terug te gaan voor een koffiepauze, toen ze zag dat het hangslot van een van de boothuizen openhing. Terwijl ze dichterbij kwam besefte ze dat het opengebroken was. Iemand had het slot met een tang opengeknipt. Ze keek om zich heen waar Eduardo was, maar zag hem niet. Riep zijn naam, maar hij leek haar niet te horen. Haar nieuwsgierigheid won het en met gretige vingers opende ze de deur van het boothuis. Daarbinnen was het donker en er hing een bedompte, vochtige lucht. Ze keek om zich heen. Planken met werktuigen en verschillende soorten visgerei besloegen een lange wand. Een wat knullig geschilderd portret van een glimlachende oude visser met een pijp in zijn mond hing aan een andere wand. Verder stond er een krakkemikkig tafeltje met daarop een petroleumlamp, een doosje lucifers en een koffiemok met een bodempje opgedroogde koffie. Een versleten kist met een deksel. Ze tilde het deksel op en zag weekbladen en tijdschriften liggen die minstens veertig, vijftig jaar oud leken. Op veel omslagen stond een glimlachende vrouw, óf met ontblote borsten óf in bikini. Op een bepaalde manier onschuldig. Ze las het woord Se geschreven in witte letters in een rode cirkel en gokte dat het de naam van het tijdschrift was. Het jaartal 1964 gaf aan dat ze de tijd goed gegokt had. Het gevoel van nostalgie dat het omslag bij haar opriep deed haar glimlachen. Dat waren nog eens tijden!
Eduardo en zij hadden elkaar ontmoet in Baskenland, in de kleine stad San Sebastián. In de Spaanse provincie woedde een hevige strijd voor onafhankelijkheid en ze waren beiden net twintig geworden. Wat was ze naïef geweest in die tijd. Zo’n idealist. En waar hield ze zich nu mee bezig? Het documenteren van oude vissersplaatsjes. Met wat voor nut en voor wie, dacht ze, en ze liet het deksel met een doffe klap vallen, hard genoeg om ervoor te zorgen dat een muis zich uit de schaduw losmaakte en wegschoot. Dolores Morales was echt geen vrouw die van zoiets zenuwachtig werd, ze maalde totaal niet om die muis. Maar wat had hij in zijn bek? Iets langwerpigs, iets geels. Het was schemerig in het schuurtje en de muis was allang in een hoek verdwenen. Maar hij had absoluut iets in zijn bek gehad. Ze vond een zaklamp op een plank, wierp een snelle blik door het raam. Eduardo was nergens te bekennen. Hij vroeg zich waarschijnlijk al af waar ze gebleven was. Ze knipte de zaklamp aan en zocht naar de muis. Kreeg hem maar niet te zien, maar ze hoorde zijn pootjes krabbelen op de houten vloer. Ze liet de gele lichtkegel van de zaklantaarn over de vloer dansen, liet hem over de wanden met alle planken gaan. Doosjes met spijkers, een roestige boor, een zaag, een pot oploskoffie, een blik, dat ze nieuwsgierig opende. Het rook zoet en lekker, het blik was op een paar kruimels na leeg. Ze herkende de geur van kaneel en gember. Toen wist ze wat ze rook. Het waren die typische harde bruine koekjes die de Zweden met kerst aten. Pepparkakor. Toen ze haar blik verder door de ruimte liet dwalen begreep ze wat de muis in zijn bek had gehad. Naast het koekblik stond een fruitschaal met een paar oude bananenschillen. Maar toen ze beter keek zag ze dat de schillen nog niet zo oud waren, hoogstens een paar dagen. Iemand was hier dus kortgeleden geweest.
Ze draaide zich om en ontdekte een oude hutkoffer waarvan het deksel een heel klein beetje openstond. Het deksel zat scheef en was kromgebogen en sloot niet goed. Langzaam liep ze ernaartoe en tilde het voorzichtig op. Een misselijkmakende geur kwam haar tegemoet; ze deinsde terug. Daar lag een stapel kleren en Dolores Morales geloofde haar ogen niet toen ze het ene kledingstuk na het andere oppakte, een spijkerbroek vol bloedvlekken, een bebloed T-shirt, een fleece trui, een gewatteerde jas, een paar wanten en een gebreide muts. Op het jack, T-shirt en de fleece trui zaten niet alleen bloedvlekken, maar ook andere vlekken, die deden denken aan braaksel. Ze bracht de jas naar haar neus, rook eraan en haar vermoeden werd bevestigd. Haar maag draaide zich om.
Verder kwam ze niet, ze hoorde een doffe klap en daarna het geluid van iets wat tegen het raam schraapte. Dolores Morales begon te gillen toen ze zag hoe het gezicht van haar man tegen het raam geduwd werd en hoe iemand hem van achteren overmeesterde.
Het volgende ogenblik keek ze recht in de ogen van een onbekende man.