Hoofdstuk 64
Reston, Virginia
Tully vond Emma op de bank voor de televisie, terwijl ze een stuk overgebleven pizza zat te eten.
Hij opende zijn mond, maar ze was hem voor. ‘Op de ontbijtbar. Nog maar één stuk pizza suprème, maar er is nog genoeg peperoni.’
Zijn dochter kende hem te goed. Hij pakte een papieren bord, legde er een stuk pizza op, sprenkelde er hete pepers overheen en plofte naast haar neer.
‘Het is vreselijk laat, honnepon.’
‘Geen school morgen. Herfstvakantie.’
‘O ja. Dat was ik vergeten.’
‘En jij? Was je bij Gwen?’
‘Nee, op mijn werk.’ Hij had de hele avond in Quantico doorgebracht met het bekijken van databanken en het zoeken naar een of ander verband tussen Cunningham en deze moordenaar. ‘Waar kijken we naar?’
‘Niks bijzonders. Gewoon iets om de stilte te vullen.’
Zwijgend zaten ze een paar minuten naar de televisie te kijken.
‘Ik vind haar best aardig,’ zei Emma.
Tully dacht dat ze het over de actrice in de tv-show had.
‘Ze kleedt zich een stuk chiquer dan mamma.’
Hij was doodop. Het duurde even voordat hij zich realiseerde dat ze het over Gwen had.
‘Soms denk ik dat mamma nog steeds een jaar of twintig wil zijn in plaats van veertig-en-nog-wat.’
‘Ik ben blij dat je Gwen best aardig vindt,’ zei hij.
‘Mamma en jij zijn een hele tijd samen geweest, toch?’
Nog meer vragen. Misschien kwam het door de bruiloft. Fantaseerden niet alle kinderen dat hun gescheiden ouders op een dag weer bij elkaar zouden komen?
‘We hadden al vrij lang wat met elkaar voor ons huwelijk.’ Hij zei niet dat hij niet met Caroline had willen trouwen totdat hij zeker wist dat ze hém wilde, en niet een van zijn twee vrienden. Hij dacht niet graag aan die emotionele strijd. Soms de pion. Soms de koning. Caroline had dat effect op mannen. Dat vermogen om mannen zich de ene minuut heel speciaal te laten voelen en de volgende waardeloos, terwijl ze ondertussen de hele tijd om haar aandacht vochten.
‘Lange afstand, hè?’ ging Emma door, zodat Tully weer in het heden terugkwam. ‘Jij trainde in Quantico, en zij zat op de kunstacademie in Chicago?’
‘Precies.’
‘Hoe zijn jullie in Cleveland terechtgekomen?’
‘Ik ben in Cleveland opgegroeid. Dat weet je. Mag ik een slokje van je Cola?’
Zonder met haar ogen te rollen of diep te zuchten gaf ze hem haar blikje. Haar gedachten leken geheel op één onderwerp te zijn gericht.
‘Hoe zit het dan met Indiana?’
‘Indiana?’
‘Ja. Noemden ze jou niet Indy tijdens je opleiding?’
Nog een herinnering waar hij niet blij van werd. Zelfs na al die jaren nog.
‘Nee, Indy was een van mijn kamergenoten in Quantico. In feite had hij eerst iets met je moeder. Zo heb ik haar ontmoet.’
Ze keek verward. ‘Maar wat was jouw bijnaam?’ Voordat hij kon reageren, beantwoordde ze haar eigen vraag. ‘O, wacht. Jij was JB. Reggie was JB. Jelly Bean.’
Tully’s gezicht vertrok. ‘Ik had een hekel aan de naam Reggie. Doordat ik JB werd genoemd, kwam ik op het idee om alleen mijn echte initialen te gebruiken.’
‘Je echte initialen?’
‘Reginald James.’
‘Dat is niet zo erg,’ zei ze, waarna ze stilviel.
Toen hij haar aankeek, zat haar gezicht vol gedachterimpels, en ze had haar duimnagel tussen haar tanden gestopt. Het bijten en knagen was jaren geleden opgehouden, maar soms stak ze toch nog, wanneer ze nerveus was, uit gewoonte een nagel tussen haar tanden.
‘Heeft je moeder je over Indy verteld?’ vroeg hij.
Ze schudde haar hoofd.
‘Ik vond een paar brieven die ze in dat oude bureau in de logeerkamer had gestopt. Ik dacht dat het brieven van jou aan mam waren.’
‘Ongelofelijk dat ze die al die jaren heeft bewaard.’ Maar op een bepaalde manier was hij niet verbaasd. Een paar jaar geleden zou hij gekwetst zijn geweest als hij erachter zou zijn gekomen dat Caroline Indy’s brieven had bewaard. Nu stak het niet meer, slecht een klein prikje, anders niet.
‘Sorry, pap.’ Emma klonk alsof ze een beetje van slag was, niet zozeer omdat ze bang was dat ze in de problemen zat, maar meer omdat ze niet kon geloven dat ze zo’n vergissing had gemaakt.
‘Het geeft niets, honnepon. Die brieven zijn van lang geleden.’
‘In feite niet zo lang geleden.’
‘Sorry?’
‘Nou, de meeste brieven zijn uit 1982, maar er zijn nog drie andere. De laatste is uit juli.’
‘Van dit jaar?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Hij feliciteerde haar met haar nieuwe huwelijk. Maar hij klonk niet alsof hij het meende.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Omdat hij zoiets schreef als “Gefeliciteerd dat je weer de verkeerde man hebt gekozen.” Dat is nogal bot.’ Ze rolde met haar ogen. ‘Ik zou hebben moeten weten dat jij nooit zoiets zou zeggen.’