Hoofdstuk 54
Zondag, 30 september 2007
De Bak
Maggie stond in de kleine maar afgesloten douche en liet het hete water de kou verdrijven die tot in haar botten was doorgedrongen. Daarna deed ze een schoon operatiehemd aan – er lag een hele stapel in de badkamer. Ze probeerde ze niet te tellen, probeerde niet te denken aan hoelang ze verwachtten haar hier te houden.
Met vochtig haar ging ze op het bed liggen, waarna het haar lukte tussen de stijve lakens weg te doezelen. Ze wist niet precies hoelang ze had geslapen. Ze had zichzelf overgehaald haar ogen te sluiten. Voor een paar minuten maar. Door het de hele dag staren naar een computerscherm had ze hoofdpijn gekregen. Meer was het niet. Vermoeide ogen. Slaaptekort. Spanning. Geen virus dat zich in haar bloedstroom aan het dupliceren was.
Ze zou zichzelf niet toestaan erover na te denken. Dat mocht niet, en toch drongen er visioenen haar slaap binnen. Het was als een oude schokkerige film met kleurige paarse en roze amoeben die heen en weer sprongen, tegen elkaar aan botsten en in tweeën splitsten. Weer een botsing, nog een splitsing. Tientallen veranderden in honderden.
Haar oogleden waren al een aantal keer knipperend opengegaan voordat ze hem opmerkte. Hij stond aan de andere kant van de glazen wand, haar bestuderend, over haar wakend. Zo voelde het. Warme bruine ogen – ernstige, gevoelvolle ogen – die op haar letten, en voor een seconde of twee in die half slapende, dromerige staat had ze zichzelf er bijna van overtuigd dat hij haar kon beschermen.
Hij glimlachte toen hij zag dat ze wakker was, maar hij deed geen stap naar voren, bewoog zich niet, gebaarde niet naar haar. Hij stond daar alleen, armen voor zijn borst gevouwen, zijn glimlach de enige beweging. Zijn glimlach en zijn ogen.
Ze ging op de rand van het bed zitten, teleurgesteld dat het gebonk in haar hoofd niet was opgehouden en nu werd vergezeld door een versnelde hartslag, veroorzaakt door de amoeben. Het dutje had haar geen goed gedaan.
Tegelijkertijd pakten ze de telefoon op. Nu al leken ze hun beslissingen gesynchroniseerd te hebben.
‘Ik had niet verwacht je zo snel weer te zien.’
‘Ben je gek? Je bent mijn favoriete patiënt.’
Voor een kolonel kon hij zeker charmant zijn. De kuiltjes in zijn wangen droegen daaraan bij.
‘Hoe voel je je?’ Gezicht weer serieus, ogen nog steeds zacht, oprecht, bezorgd, en dat betekende geen grapjes meer.
‘Ik heb hoofdpijn.’ Normaal zou ze daar niet over klagen, maar ze wist dat hij het moest weten om een checklist te kunnen maken.
‘Vertel me precies waar.’
Ze ging zitten. Hij deed hetzelfde. Toen sloot ze haar ogen en luisterde naar het gebonk. ‘Aan de achterkant,’ zei ze, met haar ogen nog steeds gesloten. ‘Onderaan. Net boven mijn nek. Het is meer gebonk dan echte pijn.’
Ze opende haar ogen en ontmoette zijn blik. Ze had geen idee wat hij dacht. Ze herinnerde zichzelf eraan dat hij goed was in paniek verbergen. Hij was arts en militair, een combinatie waarmee alle emoties onderdrukt en eigenlijk ontkend werden. Toch zat er iets in zijn ogen dat hem verraadde, dat haar vertelde dat het helemaal niet zo gemakkelijk was en dat hij er constant mee worstelde.
‘Je bloed vertoont nog steeds geen enkel teken van het virus, en je vertoont ook geen van de symptomen. De hoofdpijn zit meestal achter de ogen, cirkelt rond in het hoofd, alsof iemand tegen de binnenkant van je voorhoofd klopt. Grote kans dat wat jij voelt, wordt veroorzaakt door spanning en uitputting. Daarbij heb je niet veel gegeten. Ik zal ervoor zorgen dat je iets lekkers van beneden krijgt. Je moet je immuunsysteem op peil houden. En ik zal dokter Drummond je wat pijnstillers laten brengen.’
Dokter Drummond. Maggie besefte plotseling dat niemand haar had verteld hoe de vrouw in het blauwe ruimtepak heette. Pas nu, na bijna twee dagen, vroeg ze zich af waarom ze daar nooit naar had gevraagd.
Omdat ze een beroepscynicus was, bestudeerde ze Platt, op zoek naar scheurtjes in zijn masker, aanwijzingen dat hij iets voor haar verborgen hield.
‘Je gelooft me niet,’ zei hij, waardoor ze schrok. Was haar scepsis zo duidelijk?
‘Ik heb gelezen dat het virus in een drager kan blijven sluimeren.’ Ze kon beter maar meteen met scherp schieten. Tenslotte was het haar leven dat op het spel stond.
Hij aarzelde. Wist ze te veel? Had hij er spijt van dat hij eerder zo eerlijk tegen haar was geweest?
‘Het virus leeft ergens in Afrika, en ja, we geloven dat het een tijd in een perfecte gastheer kan liggen sluimeren, hoewel we niet weten wat die perfecte gastheer is. Er wordt gezegd dat het vleermuizen zouden kunnen zijn. Plaatsen zoals Kitum Cave aan de voet van Mount Elgon in Kenia en Oeganda zijn door wetenschappers uitgekamd. Waar overleeft Ebola wanneer het niet op primaten en mensen overspringt? En wat interessant is…’ Hij wachtte totdat hij zeker wist dat hij haar volle aandacht had, of misschien wilde hij zich ervan overtuigen dat ze hem zou geloven. ‘…Ebola sluimert niet in primaten en mensen. Het verwoest ze en doet dat heel snel.’
‘Maar er is een incubatieperiode, van twee tot tweeëntwintig dagen. Dus kan ik blootgesteld zijn en het pas na tweeëntwintig dagen merken, toch?’
‘De symptomen verschijnen gewoonlijk binnen één tot drie dagen. De incubatieperiode verwijst naar de tijd dat het duurt voordat het virus het traject heeft doorlopen van symptomen naar ziekte naar uitval van organen naar –’
‘Exploderen en doodbloeden,’ eindigde ze zijn zin voor hem.
‘Ja.’ Daarna vervolgde hij: ‘Begrijp dat ik niet zeg dat het onmogelijk is dat je werd blootgesteld, geen symptomen vertoont en dan toch op dag eenentwintig met het virus besmet blijkt te zijn. Ik vertel je wat er statistisch gezien waarschijnlijk is, wat bewezen is en wat ik zelf heb gezien. Dit virus blijft normaal gesproken niet in mensen zitten maar wil zich instinctief voortplanten, en dan ook nog zo snel mogelijk.’
Ze knikte. Haar blik dwaalde af voordat ze zichzelf kon tegenhouden. Zijn gelaatsuitdrukking vertelde haar dat hij wist dat hij haar niet had overtuigd. Hij had haar de waarheid verteld, maar dat bemoedigde haar niet. Eigenlijk begon ze het gevoel te krijgen dat het gebonk zich nu naar achter haar ogen had verplaatst. Haar zicht werd een beetje wazig. Het kon haar niet schelen dat hij haar aanstaarde.
Aan de col van zijn trui trekkend alsof hij het plotseling erg warm kreeg, schoof hij op zijn stoel naar voren. Hij haalde diep adem, blies die toen uit, maar langs de telefoon, zodat ze er geen last van zou hebben.
‘Zelfs als je symptomen krijgt, hoeft dat niet fataal te zijn.’
‘Ebola Zaïre? De opruimer?’ Ze trok een wenkbrauw op om hem te laten weten dat ze echt haar huiswerk had gedaan. Hierop zou hij geen punten scoren.
Waarom ze zo met cynische opmerkingen strooide, eerst bij Gwen en nu bij Platt, wist ze niet precies. Misschien trad haar eigen overlevingsinstinct in werking. Door de angst kreeg ze eerder de neiging om over haar schouder te kijken en elke schaduw te onderzoeken dan achterover te leunen en te wachten totdat iemand haar een reddingsboei toegooide. En in deze hermetisch van de buitenlucht afgesloten kamer kon ze niets anders doen dan de schaduwen doorzoeken.
Platt slaakte nogmaals een zucht, maar het was er een van uitputting, niet van frustratie. Hij wreef over zijn kaak en streek met een hand over zijn gezicht. Terwijl hij zijn slapen masseerde, vielen Maggie zijn lange vingers, gemanicuurde nagels, gespannen aderen en pezen op: een sterke hand, maar zacht. Hij zag haar bestudering voor overpeinzing aan. Hij moest hebben gedacht dat hij eindelijk haar aandacht had weten te trekken. Die doordringende ogen hielden de hare een lange minuut vast, voordat hij zei: ‘Je moet me vertrouwen.’
Hij liet die verklaring in de lucht hangen. Toen ze niet reageerde en niet protesteerde, voegde hij eraan toe: ‘Er bestaat een vaccin. Het is nog niet goedgekeurd door de FDA, maar het blijkt bij primaten veilig en doeltreffend te zijn. We hebben slechts een paar mogelijkheden gehad om het op mensen te testen, gevallen waarbij een wetenschapper per ongeluk in het lab werd blootgesteld en besmet.’
Nu ging Maggie rechtop zitten. Ze had niets over een vaccin gelezen. De behandeling, in alle literatuur die ze had kunnen vinden, bestond alleen uit ‘ondersteunende verzorging’ en het de patiënt zo comfortabel mogelijk maken in afwachting van het onvermijdelijke.
‘Het is het effectiefst,’ vervolgde Platt, ‘als het in een reeks injecties wordt gegeven. Zoals bij hondsdolheid. Het helpt het immuunsysteem weerstand te bieden aan het binnendringende virus. Maar het hangt ook af van hoe snel de injecties na de blootstelling worden toegediend. Ik ga niet tegen je liegen. Er is slechts een kans van vijftig procent als het immuunsysteem al is aangetast of als de symptomen zijn begonnen. Maar dat is bij jou niet het geval.’
Maggie hoefde het niet te vragen. Bij Ms. Kellerman was dat wel het geval, wist ze. Bij Mary Louise ook? Cunningham?
‘Ik wil het vaccin bij jou gebruiken. Ik heb geen goedkeuring van de FDA om het bij burgers te gebruiken, dus kan ik dat alleen doen wanneer jij een document ondertekent waarin –’
‘Ik teken alles wat je nodig hebt,’ onderbrak ze hem. Daar hoefde ze niet over na te denken.
Hij leek verbaasd dat het zo gemakkelijk ging. Maar hij trok haar besluit niet in twijfel, vroeg niet of ze tijd nodig had om erover na te denken. Ze wist dat er geen tijd meer was voor twijfels.
‘Dokter Drummond zal je zo de eerste injectie komen geven.’ Hij stond op. ‘Ik zal ook iemand je wat te eten laten brengen. Je moet eten. Nog een speciaal verzoek?’
‘Ik heb inderdaad een verzoek,’ zei Maggie. ‘Maar dat gaat niet over eten.’ Hij knikte en wachtte. ‘Ik wil directeur Cunningham zien.’
‘Dat is niet mogelijk.’
‘Waarom niet? Is hij niet hier in dit instituut?’
‘Jawel, hij is hier. Waarom denk je dat hij niet hier zou zijn?’
‘Ik hoef niet met hem te praten. Ik wil gewoon… Ik wil hem zien.’ Het leek erop dat Platt op zijn standpunt bleef staan. ‘Ik moet hem zien, zien hoe het met hem gaat.’
Hij ging van zijn ene been op zijn andere staan, en het ontging Maggie niet dat hij zijn kiezen op elkaar klemde. Ze kende het argument: beroepsgeheim. Het was een kwestie van privacy. Hij kon niets loslaten over zijn patiënten. Ze waren waarschijnlijk als ‘strikt vertrouwelijk’ bestempeld. Ze lieten niet eens toe dat Maggie aan iemand vertelde waar ze was. Dat was, volgens haar, waarmee de kolonel worstelde in het nemen van zijn besluit. Of hij wel of niet de regels zou breken en twee van zijn patiënten elkaar zou laten zien.
‘Ik kan je hem niet laten zien,’ zei Platt. ‘Want het gaat niet goed met hem.’