Hoofdstuk 62
Artie probeerde iemand te verzinnen met wie hij het nieuws kon delen. Iemand die de genialiteit waarmee hij puzzels oploste, kon waarderen. Hij was in staat geweest om een vraag te beantwoorden die rechercheurs en andere aan oude zaken werkende gezagsdienaars in het hele land gedurende vijfentwintig jaar niet hadden weten op te lossen. Het was net zo groot als de ontmaskering van Ted Kaczynski als de Unabomber.
Bijna alsof zijn wens werd verhoord, hoorde hij een deur dichtgaan. Niet hard, hij hoorde slechts een zachte klik.
Waarschijnlijk was het niets. Het zou zijn verbeelding geweest kunnen zijn. In de weekeinden kwam hier niemand.
Hij begon weer door het notitieboek te bladeren en maakte aantekeningen in de marges.
Voetstappen in de gang. Daar was hij zeker van.
Als bevroren bleef hij staan, terwijl zijn ogen heen en weer schoten. Het lichtknopje. Hij moest het licht uitdoen.
Te laat.
De voetstappen kwamen dichterbij. Degene aan wie ze toebehoorden, stond nu recht voor de deur.
Razendsnel draaide hij zich om, op zoek naar iets wat hij als een wapen kon gebruiken, en hij greep wat het dichtst bij hem lag. Een injectienaald. Hij trok de plastic dop eraf, en op hetzelfde moment hoorde hij een sleutelkaart in het veiligheidsslot van de deur glijden.
‘Wat ben jij hier vanavond in vredesnaam aan het doen?’
Artie slaakte een zucht van opluchting en flapte er bijna uit: ‘Als je het over de duivel hebt…’ In plaats daarvan zei hij: ‘Ik schrok me rot van je.’
‘Besef je niet dat je het licht onder de deur door in de gang kunt zien?’
‘Er is niemand,’ verdedigde Artie zich. ‘Het was jouw idee dat ik het lab in de weekeinden zou gebruiken.’
‘Ik dacht dat je de bestelling gisteren zou bezorgen.’
‘Dat heb ik ook gedaan,’ zei Artie. Hij liet de injectienaald in zijn zak glijden en probeerde achteloos zijn pockets op de bezwarende pagina’s van zijn notitieboekje en de artikelen daaronder te leggen. ‘Ik ben gisteren naar Connecticut gereden. Heb ze daar op de post gedaan.’
‘Ze?’
Verdomme! Dit was waarschijnlijk niet het moment om zijn eigen bijdrage te onthullen.
‘Ik bedoel het pakketje. Ik heb het gisteren op de post gedaan.’
‘Dus wat doe je dan vanavond hier?’ Zijn ogen gingen naar de tafel.
‘Ik kwam wat spullen brengen. Je weet wel, de DNA-monsters die ik verzamel.’
Artie zag zijn blik door de kamer dwalen om uiteindelijk op de pocket van de Unabomber te blijven rusten. De man pakte het boek op.
‘Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat je deze niet in je rugzak met je mee moet dragen?’
Hij gooide de pocket op Arties stapel, en de boeken en artikelen verschoven. Artie lette op zijn ogen en hield zijn adem in, maar hij wist dat de man precies zag wat Artie niet wilde dat hij zou zien. Hij trok een van de artikelen over de Tylenolmoorden uit de stapel.
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Gewoon een beetje onderzoek.’
Hij trapte er niet in. Artie moest goed en snel nadenken. Toen ontspande hij zich plotseling. Waar maakte hij zich zorgen om? Ze waren hetzelfde. Dat wist Artie. Niet alleen leermeester en student. Verwante zielen.
‘Ik ben erachter,’ vertelde Artie hem.
Hij reageerde niet. Trok slechts één wenkbrauw op en wachtte op Arties verklaring.
‘Je bent briljant,’ zei Artie, en hij meende het. ‘De Tylenolmoorden. Dat was jij. Ze hebben zich altijd afgevraagd of iemand zeven willekeurige moorden had gepleegd om de ene waar de dader werkelijk mee weg wilde komen, te verhullen.’
Nog steeds geen reactie. Artie beschouwde dat als een goed teken.
Hij vervolgde: ‘En door zeven potjes in en rond Chicago te verspreiden, dacht iedereen dat je echte doelwit, in Terre Haute, een soort meevaller was.’
Er was geen glimlach, maar Artie herinnerde zichzelf eraan dat de man niet echt een glimlacher was. Dat hij niet langer kwaad keek, was goed. Hij wreef met een hand over zijn kaak, maar wachtte en luisterde.
‘Dat is wat je nu ook aan het doen bent. Toch? Willekeurig een aantal pakketjes met het virus versturen, zodat het lijkt dat er een soort binnenlandse terrorist aan het werk is. Terwijl je ondertussen de hele tijd maar één doelwit op het oog hebt. Toch?’ Hij wierp een blik op zijn notitieboekje, nog steeds opengeslagen op de pagina met de lijst. ‘Dus wie is het? Wie is het echte doelwit?’
‘Je denkt dat je heel slim bent,’ zei hij tegen Artie. ‘Maar het zijn allemaal echte doelwitten. Ik zorg ervoor dat elke schoft of trut die me ooit heeft tegengewerkt, van de aarde verdwijnt.’
Toen deed hij iets waarvan Artie had moeten weten dat het niet klopte. Hij glimlachte. ‘Hoe ben je achter dat met die Tylenol gekomen? Ik bedoel, met Indiana? Door iets wat daarin zit?’
Hij wees naar de stapel, en Artie grinnikte. Hij boog zich voorover en begon tussen de artikelen en boeken te zoeken. Daardoor zag hij de microscoop die richting zijn hoofd ging, niet eens aankomen.
Artie paste perfect boven op de dode aap. Hij was bewusteloos toen de man het deksel van de vrieskist naar beneden klapte, het hangslot op zijn plaats hing en het dicht klikte.