Hoofdstuk 42
De Bak
Toen ze Maggie haar ontbijt brachten, was de tijd daarvoor allang voorbij, maar eten was op dit moment wel het laatste waar ze zich druk om maakte. Ze prikte in de eieren, at de helft van de volkorentoast op, nam twee slokjes sinaasappelsap en liet de rest liggen. Er drukte een zwaar gewicht op haar borst, waardoor het bijna pijnlijk was om adem te halen. Zelfs slikken werd een bewuste inspanning. Ze merkte dat ze naar haar eigen hartslag aan het luisteren was en legde twee vingers op de pulserende plek onder aan haar hals. Verwachtte ze het virus binnen in haar te voelen of te horen vermenigvuldigen? Was dat wat ze tegen haar ribbenkast voelde drukken?
Kolonel Platt had gevraagd of er iemand was die ze wilde bellen, of misschien iemand die hij voor haar kon bellen. In eerste instantie kon ze niemand bedenken. Misschien Gwen. Nick Morelli beslist niet. Haar stiefbroer, die ze pas dit jaar voor het eerst had ontmoet, waarschijnlijk ook niet. Hoe zou die conversatie gaan?
‘Hoi, broertje, je raadt het nooit. Ik zit in quarantaine met een zeer besmettelijk virus. Voor het eerst samen Thanksgiving vieren zit er misschien toch niet in.’
Haar moeder zou ze ook niet bellen. Op de een of andere manier zou het er dan toch op neerkomen dat ze het alleen over de gevolgen voor haar moeder zouden hebben, en totaal niet over wat het voor Maggie betekende.
‘Maar mamma…’ In haar hoofd kon Maggie het gesprek al horen. ‘…ik ben degene die sterft aan een dodelijk virus.’
‘En hoe moet ik dat aan mensen uitleggen?’ Dat zou haar moeders reactie zijn, maar pas nadat ze had gevraagd of het besmettelijk was.
Nee, ze had niemand. Geen naaste familieleden. Geen relatie. Niemand die ze als eerste moest bellen. En niemand die haar als eerste zou bellen. Toen ze van Greg was gescheiden, had het einde van de uitputtingsslag die die relatie was geweest haar eerder een gevoel van opluchting dan van spijt gegeven. Ze waren tijdens hun studie getrouwd. Hij was een soort sociaal vangnet voor haar geweest, een poging tot normaliteit, een kans op een echt gezin. Tenminste, totdat hij bezwaar was gaan maken tegen het enige wat haar ooit een gevoel van bestaansrecht had gegeven – haar identiteit, haar carrière bij de FBI.
Ze had die relatie achter zich gelaten, gekwetst en tegelijkertijd opgelucht. Maar ze was daardoor ook gaan geloven dat ze nooit iemand zou vinden die haar beroep zou accepteren, of, belangrijker nog, zou accepteren dat daar altijd haar prioriteit zou liggen. Niet eens Adam Bonzado en Nick Morelli. Uiteraard was dat niet hun fout. Maggie had niemand lang genoeg of diep genoeg in haar leven gelaten om hun een echte kans te geven. Ze wist dat de schuld bij haar lag, niet bij hen. Misschien had ze die les van haar leermeester, Cunningham, een beetje te ver doorgevoerd. Het was niet iets wat ze met kolonel Platt wilde delen. Dus toen hij aanbood iemand voor haar te bellen, schudde ze eenvoudigweg haar hoofd.
Daarna had hij haar nog een aantal dingen verteld, waarvan ze zich niet alles meer kon herinneren. Hij had uitgelegd dat ze het virus niet in haar bloed hadden ontdekt – nog niet. Die laatste twee woorden had hij er als een loden anker aan toegevoegd. Daarna had hij haar over de incubatieperiode verteld. Hij was niet omzichtig geweest, maar had het haar verteld zonder er doekjes omheen te winden, precies zoals ze had gevraagd.
Wees voorzichtig met wat je vraagt, bracht ze zichzelf in herinnering.
Van dit soort virussen wist ze wel iets af. Ze wist dat het feit dat ze geen symptomen had, niet betekende dat het virus niet al in haar systeem zat, sluimerend, stilletjes afwachtend.
Na Platts vertrek had ze naar de glazen muur zitten staren, naar de monitoren aan de andere kant, terwijl ze luisterde naar hun gezoem en gepiep. Het leek allemaal zo onwerkelijk, als een scène uit The Twilight Zone. Ze wist niet zeker hoelang ze zo had gezeten voordat ze zichzelf eindelijk bij elkaar had geraapt.
In haar hoofd bleef ze kolonel Platts uitleg horen. Hij had haar te veel details gegeven, waarschijnlijk met de gedachte dat haar medische achtergrond haar van een soort vangnet van begrip zou voorzien. Kennis stond niet altijd per se gelijk aan macht of controle. Integendeel, kennis had soms het tegenovergestelde effect. Vooral in dit geval, want hoe meer ze van het virus begreep, hoe vreselijk machtig en onstuitbaar het was, hoe kwetsbaarder ze zich begon te voelen.
Platt had haar precies genoeg details gegeven om haar hart als een razende tekeer te laten gaan. En zijn vragen bleven maar in haar hoofd rondspelen: ‘Heb je Ms. Kellerman aangeraakt? Ben je met haar bloed in contact gekomen? Heb je Mary Louise aangeraakt? Heeft ze je hand vastgepakt? Heb je haar spuug op je gezicht gekregen? In je ogen? Je mond?’
Maggie wist dat er spetters braaksel op haar jasje terecht waren gekomen, maar ze dacht niet dat ze het op haar gezicht had gekregen. Maar Cunningham? Maggie herinnerde zich dat hij zijn gezicht had afgeveegd. Hij had Mary Louise vastgehouden toen ze was gaan overgeven. Hij had het meisje mee naar de badkamer genomen om haar schoon te maken, maar had Maggie bevolen te blijven waar ze was.
En hoe zat het met Mary Louise zelf, dat prachtige kleine meisje, rondkruipend op haar moeders bebloede lakens? Hoelang had ze in die ravage doorgebracht?
Op dat moment herinnerde Maggie zich de regel uit het briefje: ‘Jullie kinderen zijn nergens meer veilig.’
Dat klopte met wat er was gebeurd, maar doordat Mary Louise en haar moeder dezelfde naam en gedeeltelijk hetzelfde adres hadden als een van de slachtoffers in de Tylenolzaak, vermoedde Maggie dat de dader deze zin had gekopieerd. Waaruit, echter?
Nadat ze weer achter haar computer was gaan zitten, aarzelde ze even. Toen ze haar vingers door haar haar haalde, realiseerde ze zich dat haar handen trilden. Dus wachtte ze tot haar handen tot rust kwamen, tot de plotselinge misselijkheid voorbijging, tot het gebonk binnen in haar ophield. Niets van dat alles gebeurde. Ze moest de toenemende paniek negeren, opzij duwen. Dat had ze eerder gedaan. Dat kon ze weer doen, in ieder geval zolang het nodig was om te kunnen ontsnappen, om te kunnen werken.
Ze keerde terug naar Google, en typte met nog steeds een beetje onzekere vingers de zin in, precies zoals ze zich hem herinnerde.
Onmiddellijk toonde de zoekmachine haar zo’n tien verschillende sites. Het was ongelooflijk. Daar, op haar computerscherm, staarden precies dezelfde woorden haar aan. Ze waren als postscriptum in een ander briefje gebruikt. Waarom had ze zich dat niet eerder gerealiseerd?
Er waren andere zinnen, andere duplicaten: ‘Ik ben God’ en ‘Noem me God.’ In plaats van ‘Mr. FBI’ stond er iets wat daar veel op leek: ‘Voor u Mr. Politie.’
En precies zoals ze had vermoed, waren de zinnen allemaal gehaald uit de briefjes en berichten van een andere moordenaar of, beter gezegd, een ander stel moordenaars. Het waren de zinsneden gebruikt door de Beltway Snipers, John Muhammad en Lee Malvo, in oktober 2002.