Hoofdstuk 52

 

 

 

Reston, Virginia

 

‘Voor de bloemstukken hebben ze roze en witte aronskelken,’ vertelde Emma aan Gwen, terwijl Tully met een ellendig gevoel tegenover hen zat, hopend dat iets, wat dan ook, zijn dochter ertoe zou brengen op te houden met het praten over de aanstaande bruiloft van zijn ex-vrouw. Even had hij er zelfs over nagedacht haar onder de tafel een trap te verkopen. En Gwen bleef beleefd, luisterde en knikte, zoals Tully zich voorstelde dat ze bij haar patiënten deed, vooral bij degenen die zwaar narcistisch waren.

Er waren twee stukken pizza voor nodig geweest – een van zijn favoriet, pizza suprème, en een van Emma’s favoriet, peperoni – voordat hij zich had gerealiseerd dat Gwen op de een of andere manier wist waarvan zij hielden. Wat hem betrof kon hij dat begrijpen. Ze hadden al eens eerder samen pizza gegeten, maar had hij het ooit over Emma’s voorkeur gehad? Was het toeval dat ze peperoni had gekozen? Tenslotte hielden heel veel mensen van peperoni.

Hij zag Gwen naar Emma glimlachen. Mijn hemel, wat had deze vrouw een geweldige glimlach. Haar neus rimpelde er een beetje door, en de kleine sproetjes kwamen duidelijker uit. Maar er zat iets gespannens in de glimlach deze avond. Ze had verteld dat ze net bij Maggie op bezoek was geweest.

‘Hoe gaat het met haar?’ had hij gevraagd.

‘Dat vertel ik je straks,’ had ze te vlug geantwoord. Kennelijk wilde ze het niet voor het eten en met Emma in de buurt bespreken.

Nu vroeg Gwen Emma over de pumps die de bruidsmeisjes zouden dragen, en op de een of andere manier lukte het haar geïnteresseerd te kijken.

Dat was het moment waarop Tully besloot dat het geen toeval was dat Gwen zowel zijn als Emma’s lievelingspizza had meegebracht. Ze was immers psychiater. Doordat Gwen zijn lievelingspizza had meegebracht, werd hij eraan herinnerd dat Caroline vroeger altijd zijn favoriete smaak Jelly Beans voor hem kocht. Toentertijd was hij er nooit zeker van geweest of dat was omdat ze om hem gaf of omdat ze haar oude vriendje jaloers wilde maken. Caroline leek altijd een verborgen motief te hebben bij alles wat ze deed.

‘Ze hebben meer dan tweehonderd mensen uitgenodigd,’ kondigde Emma aan, alsof het een wedstrijd was.

Caroline was niet veel veranderd, dacht Tully. Het klonk alsof ze zelfs haar bruiloft gebruikte om indruk op haar vrienden en collega’s te maken. Meer dan eens had hij zich tijdens hun huwelijk afgevraagd of ze spijt had gehad van haar keuze in echtgenoot, vooral toen Tully in het FBI-kantoor in Cleveland was gaan werken. Tenslotte was hij niet het Washingtonse succesnummer dat het journaal haalde en zaken zoals de Unabomber en de Beltway Snipers oploste.

Zelfs nu Caroline zelf succesvol was – ze was de CEO van een zeer gerenommeerd reclamebureau – leek ze nog steeds op zoek naar iets of iemand om haar belangrijker en interessanter te maken. Dat was niet eerlijk, besefte hij. Misschien hield ze echt van deze jongensachtige adjunct-directeur. En hij realiseerde zich dat hij, ondanks zijn nostalgie, niet langer het gevoel van verlies had dat hij vlak na de scheiding had gehad. Hij kon zich niet herinneren wanneer het was verdwenen. Had niet geweten dat het zo compleet verdwenen was tot dit precieze moment. Het was weg, en dat was het belangrijkste.

Eindelijk had Emma lang genoeg ademgehaald om Gwen aan het woord te laten. Toen Tully weer inschakelde, kon hij zijn oren niet geloven. Na de roze bruidsjurken en pumps vertelde Gwen Emma nu over een universiteit in New York waar je als specialisatie het ontwerpen van kleding kon kiezen. En Emma luisterde echt.

Mijn hemel, wat hield hij van deze vrouw. Daarna voelde hij een plezierig gefladder in zijn buik. Kennelijk was het een avond voor openbaringen, want hij had zich niet eerder gerealiseerd dat hij zoveel gaf om Gwen Patterson. Misschien hield hij zelfs wel van haar.

Tully leunde achterover en bekeek hen tweeën. Geen van beiden leek zich te herinneren dat hij in dezelfde kamer was, laat staan aan dezelfde tafel zat. Harvey kwam naar hem toe en legde zijn kin op Tully’s knie. Hij aaide de grote hond over zijn kop. Nu ze allebei door hun vrouwen waren vergeten, hadden ze een band. Afgezien van het feit dat Harvey eigenlijk alleen op de korst van Tully’s pizza uit was.

Emma’s mobiel onderbrak het gesprek, en ze pakte hem op, waarna ze aarzelde. ‘Het is Andrea. We hebben dat literatuurproject.’

Tully wist meteen dat het eigenlijk Emma’s vangnet was. Andrea en zij hadden de onderbreking, of wat Emma eerder als een ontsnapping zou beschouwen, waarschijnlijk gepland. Maar ze wachtte tot Tully zou zeggen dat het goed was. En ze keek… verontschuldigend, misschien zelfs een beetje spijtig. Zijn dochter had zichzelf verrast en vond het plezierig om met Gwen Patterson te praten.

‘Ga je gang.’ Wapperend met zijn hand maakte hij haar duidelijk dat ze van tafel kon gaan.

‘Dit duurt niet lang,’ zei Emma tegen Gwen.

Tully wachtte totdat zijn dochter in haar slaapkamer was verdwenen. ‘Ze vindt je aardig.’ Hij wist dat hij als een twaalfjarige klonk.

‘Is dat belangrijk?’

Dat was helemaal niet wat hij had verwacht dat ze zou zeggen. Natuurlijk was het belangrijk, maar hij hield zichzelf tegen. Dat was duidelijk niet wat ze wilde horen.

‘Is het verkeerd dat ik wil dat de twee belangrijkste vrouwen in mijn leven elkaar mogen?’

‘En als we dat niet hadden gedaan?’

Dat was een goede vraag. Een terechte vraag. Een die hij zichzelf niet had gesteld.

‘Het spijt me,’ zei ze, voordat hij had kunnen reageren. Ze zette haar ellebogen op de tafel en legde haar kin op haar handen. Plotseling zag ze er doodmoe uit. ‘Ze zeggen dat Maggie en Cunningham aan een virus zijn blootgesteld.’

‘Dus het is niet antrax of ricine?’ Hij had gedacht dat dat een opluchting zou zijn, maar Gwen zag er allesbehalve opgelucht uit.

‘Het is Ebola.’

‘Jezus! Hoe is dat mogelijk? Waar kan hij dat te pakken hebben gekregen? Ebola zwerft hier niet zomaar rond.’

Gwen haalde haar schouders op. ‘In de jaren tachtig heeft er in Reston een ongelukje plaatsgevonden. De overheid heeft het stilgehouden. Een privélab had een lading apen gekregen. De apen werden ziek. Daarna gingen ze dood. Maar dat was in 1989, dus bijna twintig jaar geleden.’

Tully trok een wenkbrauw op, zich afvragend hoe ze dit allemaal wist.

‘Na mijn bezoek aan Maggie heb ik het opgezocht,’ verklaarde ze. ‘Het was Ebola, maar het sprong niet op mensen over. Ebola Reston. Dat was hoe ze het hebben genoemd. Ze geven de verschillende soorten virus de naam van de regio waar het het eerst werd aangetroffen.’

‘Maggie en Cunningham. Is het Ebola Reston?’

‘Ebola Zaïre.’

‘Is dat ernstig?’

‘Het wordt “de opruimer” genoemd.’

Hij kromp in elkaar. Gwen merkte het en keek weg. Het was te laat. Hij had de angst in haar ogen al gezien. Met zijn vork schoof hij wat kruimels over zijn bord.

‘Het kan helpen om deze kerel te vinden. Tenzij hij in de afgelopen zes maanden in Afrika is geweest, moet hij het uit een onderzoekslab, misschien van de overheid of een universiteit, vandaan hebben.’

Tully trommelde op het tafelblad. Dit was erger dan hij had gedacht. Het maakte de dader nog gevaarlijker. Hij had niet alleen mogelijkheid en motief. Hij had toegang.

‘De antraxmoorden in 2001,’ zei Tully, en hij wachtte op Gwens blik, op haar aandacht. ‘Herinner je je die nog?’

‘Niet in detail. Ik weet dat de brieven er heel gewoon uitzagen en dat ze per post werden verstuurd. Een ervan kwam in Tom Brokaws kantoor terecht. Een paar andere werden naar leden van het huis van afgevaardigden verstuurd. Toch? Het gebeurde na 9/11. Ik weet nog dat ik te verdoofd was om er veel aandacht aan te besteden.’

‘Tweeëntwintig gevallen. Vijf doden. Niemand werd aangeklaagd of veroordeeld.’ Deze keer trok Gwen haar wenkbrauw op. ‘George Sloane,’ legde Tully uit. ‘De documentenman. Hij kwam er vanochtend mee. Dus heb ik wat onderzoek gedaan.’ Hij hield op met trommelen, krabde over zijn kaak en besefte dat hij zijn kiezen op elkaar geklemd hield.

‘Een van de weinige verdachten was een wetenschapper,’ vervolgde hij. ‘Iemand die vroeger voor USAMRIID had gewerkt. Ze beschuldigden hem van het smokkelen van antraxmonsters uit het lab in Fort Detrick.’ Tully was niet blij met wat hij dacht. ‘Ik neem aan dat USAMRIID ook monsters van Ebola heeft.’

Quarantaine
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html
section-0085.html
section-0086.html
section-0087.html
section-0088.html
section-0089.html