Hoofdstuk 41

 

 

 

Quantico, Virginia

 

Tully had hem de eerste keer al gehoord. Het was niet nodig dat George Sloane hem er weer aan herinnerde dat Tully en Ganza precies vijftien minuten hadden voordat hij naar zijn klas moest.

Tully keek toe terwijl de man aan de tafel met documenten ging zitten als een priester die een of andere heilig ritueel uitvoerde. Hij speelde de rol van professor goed, kleedde zich er zelfs naar: zwarte coltrui, strak genoeg om zijn getrainde lijf te benadrukken, een netjes gestreken pantalon en bijpassend colbert. Met zijn een meter zeventig was hij niet lang, dus probeerde hij door een zelfverzekerde manier van lopen de aandacht naar zich toe te trekken. Hij was van Tully’s leeftijd maar had nog geen van de grijze haren die Tully op zijn eigen slapen had ontdekt. Sloanes dikke haar, dat hij zo lang droeg dat het over de col van zijn trui krulde, was bijna inktzwart, maar Tully vermoedde dat dat eerder aan een haarspoeling dan aan jeugdige genen te danken was.

‘Het licht hier is afgrijselijk,’ was Sloanes alternatief voor een begroeting. ‘Verwacht Cunningham dat ik wonderen verricht?’

Tully wilde zeggen: ‘Nee hoor, je gebruikelijke voodoo is goed genoeg.’ In plaats daarvan zei hij hetgeen waarvan hij wist dat het de man tevreden zou stellen, zodat ze hun kostbare vijftien minuten niet zouden verspillen: ‘We zijn je dankbaar dat je de tijd wilt nemen om ons te helpen, George. Alles wat je ons kunt geven, zal zeer worden gewaardeerd.’

‘Kijk eens of je beter licht voor me kunt vinden,’ droeg Sloane Ganza op, de directeur van het lab met een handgebaar wegwuivend alsof hij een van zijn studenten was.

Ganza staarde een seconde of twee naar Sloanes rug, waarna hij Tully aankeek. Na een blik op zijn horloge trok hij de klep van zijn honkbalpet naar beneden en beende naar de voorraadkast van de vergaderzaal.

‘Terroristen leveren dus tegenwoordig hun dreigbrieven op de bodem van dozen met donuts af,’ zei Sloane, zijn stoel dichter naar de tafel schuivend. ‘Waar was jij op dat moment?’ vroeg hij aan Tully. ‘Als ik het me goed herinner heb je een chocoladedonut nooit kunnen weerstaan.’

‘Ik stond in de file.’ Tully probeerde zijn irritatie en ongeduld niet te tonen. Met al zijn voorbereidingen had Sloane nu al vijf minuten verknoeid.

‘De hemel zij dank voor de ochtendspits, hè?’

Uit de voorraadkast haalde Ganza een lang metalen apparaat tevoorschijn dat leek op iets wat je op de rommelmarkt kon kopen. Hij zette het naast Sloane op de tafel neer.

‘Wat is dat in vredesnaam?’ Sloane schoof naar achteren alsof het ding hem had aangevallen.

Ganza negeerde hem. Hij rolde het snoer uit, stak de stekker in het stopcontact en knipte daarna de halogeenlamp aan. Die verspreidde zoveel licht dat zelfs Sloane niet kon klagen, hoewel hij toch een beetje mopperde voordat hij zijn stoel weer naar de tafel schoof.

Eerst pakte hij de plastic zak met de envelop op. Zijn lippen tuitend en zijn voorhoofd fronsend hield hij deze omhoog. Onwillekeurig moest Tully aan Johnny Carson in de rol van Carnac the Magnificent denken.

‘Hoofdletters,’ mompelde Sloane voor zich uit, alsof dat precies was wat hij had verwacht. ‘Elke maniak, van de Unabomber tot de Zodiacmoordenaar, gebruikt hoofdletters. In het normale leven schrijven maar weinig mensen hele woorden en zinnen in hoofdletters, waardoor het handschrift moeilijker te vergelijken valt.’

‘Op deze manier kunnen ze hun handschrift gemakkelijker onherkenbaar maken,’ zei Ganza, over Sloanes linkerschouder meekijkend.

‘Dat is precies wat ik net zei. Als je dat al wist, waarom heeft Cunningham mijn hulp dan ingeroepen?’

Tully zag de twee mannen boze blikken uitwisselen. Ganza was geheel ongevaarlijk, absoluut niet het type dat een wedstrijdje wie het verst kon pissen aanging. Hij gedroeg zich altijd professioneel en was eigenlijk een beetje introvert. Misschien bracht George Sloane het slechtste in iedereen naar boven.

Toen Sloane ervan overtuigd leek te zijn dat Ganza hem niet meer zou onderbreken, ging hij nog rechter in zijn stoel zitten.

‘Het gaat niet alleen om het onherkenbaar maken van zijn handschrift,’ vervolgde hij. ‘Hoofdletters maken het bericht dwingender. Hij schreeuwt het als het ware. Maar kijk!’ Sloane hield de plastic zak met de envelop weer omhoog en wees. ‘Hij heeft harder op de punten achter Mr. en FBI gedrukt. Hij heeft de tijd genomen om het bericht zorgvuldig op te schrijven, letter voor letter, maar die punten komen bijna door het papier heen. Daarmee verraadt hij emotie.’

‘Waarom heeft hij die punten achter elke letter van FBI gezet, denk je?’ informeerde Ganza, waarop Tully ineen wilde krimpen. Snapte Ganza niet dat hij geacht werd zijn mond te houden, zodat dit minder tijd zou kosten, minder pijnlijk zou zijn? Tully verwachtte de irritatie in Sloanes ogen te zien oplichten en werd daarin niet teleurgesteld. Ganza, echter, leek zich er totaal niet van bewust.

‘Kennelijk beschouwt hij het niet als een acroniem,’ antwoordde Sloane langzaam. Hij sprak elk woord uit alsof hij het tegen een buitenlander had. ‘Voor hem is het de afkorting van Federal Bureau of Investigation.’

‘Dus misschien is het iemand die het bureau beu is?’ drong Ganza aan.

In plaats van te antwoorden keek Sloane de labdirecteur kwaad aan. Hij legde de envelop opzij, wierp een blik op zijn horloge en pakte de tweede plastic zak op.

‘Het briefje is nu open,’ vertelde Tully hem. ‘Maar het was opgevouwen om in de envelop te passen. Je kunt aan de lijnen in het papier zien dat het –’

‘Een apothekersvouw was,’ maakte Sloane de zin voor hem af. Met zijn dikke wenkbrauwen opgetrokken keek hij Tully aan. ‘Hoewel het zo in de envelop zat opgevouwen, hebben jullie het toch opengemaakt?’

‘De envelop was niet dichtgeplakt.’ Tully probeerde niet verdedigend te klinken, ondanks Sloanes beschuldigende toon en nog steeds boze blik. Ook al was Tully niet eens degene geweest die het papier had opengevouwen, toch voelde hij de behoefte om het uit te leggen. Misschien was zo’n superieur aura, waardoor iedereen zich als een eerstejaars student voelde, inherent aan het professorschap. ‘Er zat niets in,’ zei hij ten slotte, zonder eraan toe te voegen wat hij had willen zeggen, namelijk dat Cunningham degene was die het had geopend. Dat zou kinderachtig klinken, wist hij.

Op hetzelfde moment dat dit door Tully’s hoofd schoot, keek Sloane op zijn horloge en tuitte als een pruilend kind zijn lippen.

‘Kom op, George,’ zei Tully. ‘We weten dat dit duidt op een seriemoordenaar in wording, die op afstand werkt. Deze kerel kan nu op het punt staan nog een van zijn speciale pakketjes af te leveren. Wat kun je ons over hem vertellen? Verstopt hij zich ergens in een blokhut in de bossen of zit hij in een garage in een buitenwijk?’

Sloane leunde achterover en kruiste zijn armen voor zijn borst.

‘Hij verstopt zich niet in een blokhut,’ antwoordde hij, waarna hij snoof om Tully te laten weten wat hij van zijn waardeloze idee vond. ‘En het is ook niet iemand die in de farmaceutische industrie werkt. Hij kan gewoon zijn huiswerk hebben gedaan. De antraxmoordenaar in de herfst van 2001 gebruikte dezelfde vouw. Ik zou zeggen dat hij die tot in het kleinste detail heeft gekopieerd.’

‘Heb je aan die zaak gewerkt?’ vroeg Ganza.

‘Wie denk je dat hun verteld heeft dat ze naar onze eigen laboratoria en wetenschappers moesten kijken, en niet naar een of andere moslim in een Afghaanse grot?’ Sloane ging verzitten. ‘Hoewel het me niet zou verbazen als je dat niet wist. Niemand hier deelt veel complimenten uit, hè?’ Hij aarzelde even en keek alsof hij overwoog nog meer met hen te delen. ‘Niet dat het belangrijk is,’ zei hij tenslotte, met de plastic zak heen en weer zwaaiend. ‘Jullie FBI-kerels geloven wat jullie willen geloven, zoals jullie profiel voor de Beltway Sniper. Jullie bleven maar vasthouden aan die beschrijving van een jonge, blanke man, een eenling in een witte bestelwagen. Jullie hadden geen idee, hè, dat het twee zwarte kerels in een opgevoerde middenklasser geweest zouden kunnen zijn.’

‘Ik was toen niet in DC,’ zei Tully.

‘O, ja. Je was toen nog in Cincinnati.’

‘Cleveland.’

‘Sorry, mijn fout.’ Maar hij klonk niet alsof het hem speet. Hij hield het briefje vlak voor zijn ogen en las het, bulderend als een sportverslaggever, voor:

 

‘Noem mij god

er zal vandaag een explosie plaatsvinden op 13949 elk grove

10.00 in de ochtend

ik zou het jammer vinden als jullie dat misten

ik ben god

p.s. jullie kinderen zijn nergens meer veilig.’

 

Toen legde hij de plastic zak terug op de tafel en schoof zijn stoel naar achteren, waarbij de poten over het linoleum schraapten. Ganza en Tully wachtten af.

‘Hij is slim,’ zei Sloane, zonder hen aan te kijken. ‘Niet alleen slim, hij heeft ook een goede opleiding gehad. Hij is precies en detailgericht. Hij wil dat jullie denken dat dit allemaal iets met religie te maken heeft, maar volgens mij moet je zijn verwijzingen naar God letterlijk opvatten. Hij vindt simpelweg dat hij superieur is aan jullie. Zelfs het gebruik van de apothekersvouw is een soort truc, een…’ Sloane gebaarde met zijn hand, en Tully zag een predikant voor zich die de belangrijke punten van zijn preek benadrukt. ‘Hij speelt met jullie, wil jullie op het verkeerde been zetten.’

Toen ging hij staan en haalde zijn schouders op, alsof hij wilde aangeven dat hij hun niets meer kon vertellen. Toch ging hij door: ‘Zijn keuze voor tien uur kan van belang zijn. Het adres of de getallen in het adres kunnen van belang zijn. Zonder verdere informatie kan ik dat onmogelijk zeggen.’

‘Wat vermoed je?’ vroeg Tully, en hij zag Sloanes gezicht vertrekken.

‘Wat ik vermoed? Noemen jullie je profielen vermoedens? Want ik zou de mijne zeker niet zo omschrijven.’

Tully onderdrukte een zucht van frustratie. Sloane keek van Ganza naar Tully alsof hij overwoog medelijden met hen te hebben.

‘Mijn vermoeden…’ Hij rekte het woord uit, zodat het klonk als het geroep van een uil. ‘…is dat het een insider zou kunnen zijn. Misschien moeten jullie weer beginnen met naar onderzoekslaboratoria te kijken. De antraxmoordenaar is nooit gepakt. Hij zou niet de eerste persoon zijn die nogmaals in de schijnwerpers wil komen te staan. Sommige moordenaars kunnen het niet hebben dat ze vergeten worden. Kijk naar de BTK-moordenaar. Niemand zou die kerel te pakken hebben gekregen als hij niet verongelijkt was geworden omdat mensen geen aandacht meer aan hem besteedden.’

‘Misschien zegt dit je iets,’ merkte Tully op. Hij haalde de foto van de afdruk tevoorschijn en overhandigde die aan Sloane. ‘Dit hebben we op de envelop gevonden.’

Sloane nam de foto aan en hield hem omhoog naar het licht. Zijn mondhoeken krulden omhoog. Als Tully zich niet vergiste, was de professor nu werkelijk van hen onder de indruk.

‘Ga weg!’ zei hij. ‘Hebben jullie dit zelf ontdekt?’

Quarantaine
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html
section-0085.html
section-0086.html
section-0087.html
section-0088.html
section-0089.html