Hoofdstuk 6
Elk Grove, Virginia
Toen de deur openging, had Maggie haar hand in haar jas en lagen haar vingertoppen op de kolf van haar Smith & Wesson. Dit moest of een vergissing of een briljante set-up zijn. Het kleine meisje dat opendeed, was niet ouder dan vier of vijf.
‘Is je moeder thuis?’ vroeg Cunningham, en Maggie hoorde geen enkel spoortje verbazing. In plaats daarvan was zijn stem zacht en kalmerend, als van een man die ooit de vader was geweest van een kind van deze leeftijd.
Maggie liet haar ogen door de kamer achter de deuropening gaan. Een tetterende televisie met kussens, vuile borden en afgedankt speelgoed eromheen vormde het middelpunt. Het was er een puinhoop, maar dat was het resultaat van verwaarlozing, niet van een bom die was afgegaan of van een gijzeling die had plaatsgevonden.
Het kleine meisje zag er ook verwaarloosd uit. Rond haar mondhoeken zaten kruimeltjes met pindakaas vastgekoekt. Haar lange haar, dat ze uit haar ogen veegde om hen beter te kunnen bekijken, zat vol klitten. Ze droeg een roze pyjama met vlekken waar ooit gezichten van stripfiguren hadden gezeten.
‘Verkopen jullie iets?’ Door de geoefende toon en de afwijzende frons begreep Maggie dat het meisje deze vraag vaker had gesteld.
‘Nee liefje, we zijn geen verkopers,’ vertelde Cunningham haar. ‘We willen alleen even met je moeder praten.’
Het meisje wierp een blik over haar schouder, daarmee verradend dat haar moeder er inderdaad was.
‘Hoe heet je?’ vroeg Cunningham, terwijl Maggie voorzichtig naar binnen ging.
Ze kon twee deuren zien, waarvan er één open was. Daarachter bevond zich de badkamer. De deur aan de rechterkant zat dicht. Van wat ze zich herinnerde van de computermonitor, bevond de tweede hittebron zich aan de andere kant daarvan.
‘Ik heet Mary Louise, maar volgens mij mag ik niet met jullie praten.’
Het meisje werd afgeleid door wat Maggie aan het doen was. Ze was niet zo goed met kinderen als Cunningham, en op de een of andere manier hadden ze dat altijd door. Net als honden. Honden leken altijd in staat om net die ene persoon eruit te pikken die zich niet op zijn gemak voelde, waarna ze naar die persoon toe trokken alsof ze hem wilden inpalmen. Met honden kon Maggie omgaan. Van kinderen begreep ze geen snars.
Een van de FBI-technici fluisterde ‘negen minuten’ in het ontvangertje in haar rechteroor, en ze keek over haar schouder naar Cunningham. Hij raakte zijn oor aan om haar te laten weten dat hij het ook had gehoord. Ze hadden bijna geen tijd meer. Maggies intuïtie zei dat ze het meisje zouden moeten oppakken om ervandoor te gaan.
‘Slaapt je moeder, Mary Louise?’ Cunningham wees naar de gesloten deur.
Mary Louises ogen volgden zijn hand, en Maggie glipte achter haar langs de kamer in.
‘Ze voelt zich niet zo lekker,’ bekende het meisje. ‘En mijn buik doet pijn.’
‘O, dat spijt me.’ Cunningham aaide haar over haar hoofd. De afleiding werkte.
Het meisje had geen enkele aandacht meer voor Maggie die op haar tenen door de kamer sloop en alles scherp in zich opnam, van de tijdschriften die op de koffietafel lagen en de M & M’s op het tapijt tot het plastic kruisbeeld dat aan de muur hing. Ze keek of ze draden zag lopen. Ze luisterde of ze boven het geblèr van de tekenfilm uit gezoem of getik kon horen. Ze snoof zelfs om te checken of ze zwavel kon ruiken.
‘Misschien kan ik jou en je moeder helpen,’ zei Cunningham tegen het meisje.
Aan de manier waarop Mary Louise op haar onderlip beet, kon Maggie zien dat ze vocht tegen haar tranen. Het was iets wat ze uit haar eigen kinderjaren kende, en ze vond het vreselijk dat volwassenen kennelijk nog steeds tegen kinderen beweerden dat ze niet mochten huilen.
Het was echter duidelijk dat Cunningham het meisje voor zich had gewonnen. Ze pakte hem bij de hand. ‘Ik denk dat ze echt ziek is,’ zei ze met een snifje, waarna ze snel haar neus afveegde. Toen nam ze Cunningham mee naar de gesloten deur.
Op dat moment werd er weer in Maggies oor gefluisterd. ‘Nog vier minuten.’