Hoofdstuk 16
Elk Grove, Virginia
Tully toetste het nummer op zijn mobiel nogmaals in. Om veiligheidsredenen bewaarde hij nooit nummers in het geheugen van zijn telefoon. Zelfs al zou hij weten hoe, dan zou hij dat nog niet doen.
Weer geen antwoord.
Na twee keer overgaan kreeg hij, net als de vorige keren, de voicemail te horen. Hij klapte de telefoon dicht. Cunningham en Maggie hadden hun telefoons uit staan. Daar wilde hij liever in geloven dan in het alternatief: dat de U.S. Army hun verbood om op te nemen.
Het was niet dat Tully geen respect had voor het Amerikaanse leger… Oké, dat was niet helemaal waar. Hij had geen respect voor militaire officieren, vooral niet voor kerels zoals die vent die hij eerder had gezien: de officier die het verkeer regelde en door slechts met zijn hand te wuiven en zijn hoofd te knikken bevelen uitvaardigde. Hoeveel soldaten had diezelfde officier de dood ingestuurd met alleen een handgebaar of een knikje met zijn hoofd? Iedere keer wanneer Tully met het leger samenwerkte, namen officieren de leiding zonder zich te verontschuldigen of ook maar even aandacht aan hem te schenken. Ze hadden vaak streken, en voor zover hij na kon gaan, was dat nu ook weer het geval.
Hij had zijn wagen aan de andere kant van de straat neergezet, nog steeds langs de stoep, maar in een zodanige hoek dat hij tussen het busje en de achterkant van het huis door kon kijken. Het was maar een spleetje, maar net genoeg om een aantal minuten eerder een oranje ruimtepak van de bus naar de achterdeur te kunnen zien bewegen. En nu kon hij vaag een tweede oranje pak over hetzelfde pad zien gaan.
Hij wendde zijn blik af en zag Ganza van de werklui aan de andere kant van de straat terug naar zijn auto lopen. Ganza was niet veel langer dan Tully – misschien een paar centimeter – maar hij leek zijn lengte te dragen alsof het een zware last was. Zijn lange, dunne benen met knokige knieën, die zich in een slobberige bruine broek aftekenden, zijn magere hals en afhangende schouders deden Tully denken aan een giraf. Zelfs zijn witte labjas – hij had in de haast geen moeite gedaan hem uit te trekken – leek op de gevlekte huid van een giraf door de grijze en bruine plekken waar Ganza, zonder succes, had geprobeerd vlekken eruit te krijgen. Toen Tully pas was gescheiden, had hij er een spelletje van gemaakt om te raden welke mannen getrouwd waren en welke alleenstaand. Caroline zou hem nooit met een vlek op zijn das het huis uit hebben laten gaan. Nu zouden vlekken een permanent onderdeel van zijn garderobe hebben gevormd, ware het niet dat de vrouwen in zijn leven – Maggie, Gwen en Emma – voortdurend zijn manchetten, dassen en kragen in de gaten hielden. Tully had al heel snel geconcludeerd dat Ganza nooit getrouwd was geweest. En dat niet alleen, hij bracht kennelijk ook niet veel tijd door met vrouwen die op hem letten.
Ganza opende het portier aan de passagierszijde en gleed naar binnen, waarna hij de deur met meer kracht dichtsloeg dan nodig was. Het was voor het eerst dat Tully hem enige emotie had zien tonen.
‘De rotzakken willen ons geen bewijsmateriaal laten verzamelen,’ zei Ganza met zijn kenmerkende monotone stem, ondanks de dichtgeslagen deur. ‘Ze moeten de plek afgrendelen en isoleren.’
Dat had Tully hem ook kunnen vertellen. ‘Ze hebben gelijk, weet je.’ Hij keek niet opzij om te zien of Ganza hem een boze blik toewierp. Dat was niet nodig. Hij kon het voelen. ‘Ze kunnen niet het risico lopen dat er nog meer mensen blootgesteld worden, als er iets in dat huis zit.’
‘Dat weet ik. Maar als er bewijsmateriaal is, dan zullen ze het verpesten. Ze weten niet waarop ze moeten letten.’ Ganza griste de half opgegeten sandwich van het dashboard. Hij nam een hap, en toen nog een, en zei daarna met volle mond: ‘Ik heb aangeboden een uitrusting aan te doen en naar binnen te gaan.’
‘Je bedoelt zo’n ruimtepak?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Heb je er ooit wel eens eentje aangehad?’ vroeg Tully.
‘Het kan niet heel anders zijn dan een gasmasker.’ Ganza leunde achterover en wierp een lange zijdelingse blik op Tully. ‘Hoezo? Jij wel dan?’
‘Eén keer. Heel lang geleden,’ antwoordde hij, en daar liet hij het bij.
Ganza en hij waren niet bevriend, en Tully was niet het type dat meer informatie deelde dan noodzakelijk was. Een karaktertrek, zo bracht Gwen hem constant in herinnering, die – hoe zei ze dat ook al weer? – ‘tamelijk irritant’ was. Uiteraard beviel dat haar niet. Ze was psychologe van beroep. Ze kon mensen ertoe overhalen hun diepe, duistere geheimen met haar te delen. En als Tully wilde dat zij een deel van zijn leven werd, zou hij dat ook moeten leren.
Ganza, echter… Hij was Ganza niets verschuldigd. Bovendien vond hij het niet prettig om herinnerd te worden aan de vier uur durende episode die aan het begin van zijn FBI-training had plaatsgevonden. Het had toen deel van de basistraining uitgemaakt – in 1982 bestond de Koude Oorlog tenslotte nog. Alle rekruten hadden een aantal uren in een ruimtepak moeten doorbrengen, hoewel het er meer om was gegaan de agenten klein te krijgen dan om het dragen van beschermende kleding.
Door het spleetje tussen het busje en de achterkant van het huis zag Tully mensen bewegen. Met een duikvlucht over het stuur probeerde hij beter zicht te krijgen. Hij hoopte dat hij zich vergiste. Maar als dat niet zo was, dan waren ze op dit moment iemand in een doorzichtige plastic lijkenzak uit het huis naar de achterkant van de bestelbus aan het dragen.