Hoofdstuk 8
Elk Grove, Virginia
Maggie probeerde de Smith & Wesson in haar hand voor Mary Louise te verbergen.
Cunningham zorgde ervoor dat het meisje in een zodanige hoek achter hem stond dat ze geen zicht had op wat het dan ook maar was dat ze op het punt stonden te ontdekken.
‘De back-up staat voor de deur,’ hoorde Maggie in haar oor. Ze onderdrukte de neiging om over haar schouder te kijken. ‘Het explosieventeam onderzoekt het terrein rond het huis. Ze zijn klaar om naar binnen te gaan. Komen jullie naar buiten?’
Maggie keek naar Cunningham.
‘Nee,’ zei hij nauwelijks hoorbaar terwijl hij naar Mary Louise glimlachte. Het meisje stond tegen hem te babbelen over het feit dat ze een hele zak M & M’s had leeggegeten en dat ze waarschijnlijk daardoor buikpijn had.
Maggie wist dat ze geen tijd meer hadden. Waarom aarzelde Cunningham? Ze zag hem keer op keer de deurlijst bestuderen. Die zag er normaal uit, in ieder geval aan deze kant. Cunningham hield zijn hoofd schuin, alsof hij luisterde naar geluiden van achter de deur. Zijn rechterhand omklemde de deurknop. Hij hield zijn lichaam dicht bij de muur. Zijn linkerhand was open en naar Mary Louise toe gekeerd, als de hand van een politieagent die het verkeer tegenhield.
Normaal gesproken zouden ze met getrokken wapens de deur in hebben getrapt. Maar de dreiging van explosieven met verborgen struikeldraden rechtvaardigde langzame en voorzichtige handelingen. Maggie wist dat ze het nu eigenlijk aan het explosieventeam zouden moeten overlaten.
Cunningham verroerde zich niet.
‘Klaar?’ vroeg hij aan Maggie.
Ze wilde het achter de rug hebben. Ze hadden al te veel tijd verspild. Dus knikte ze, en hij deed de deur voorzichtig open.
Er was geen klik. Geen knal.
Niets.
Alleen een zenuwslopend raspend geluid. Iemand in de kamer had moeite met ademhalen.
Mary Louise schoot langs hen beiden heen. Cunningham probeerde haar nog te grijpen maar miste. Ze sprong op het bed waar het leek alsof er in het midden een stapel beddengoed was neergegooid. Het SWAT-team kwam het huis binnen, waarbij ze zich zo stil bewogen dat Maggie ze niet eens opmerkte.
‘Mammie, mammie, er is iemand komen helpen,’ zong Mary Louise tegen de ingebakerde bundel.
Cunningham rende naar het bed en nam het kind in zijn armen, haar dicht tegen zijn borst aan trekkend. Plotseling verstarde hij, en hij draaide zich om naar Maggie. Er flitste paniek in zijn ogen, maar zijn stem bleef kalm en bedaard toen hij zei: ‘Er is bloed.’
Een pauze, nog een blik op het bed, daarna: ‘Heel veel.’
Maggie kwam dichterbij. Ze kon alleen het hoofd van de vrouw zien, het samengeklitte haar dat aan haar voorhoofd plakte. Haar ademhaling ging hortend en stotend, bijna alsof ze gorgelde. Bloed droop uit haar mond en neus op een bevlekte kussensloop. Het hele beddengoed zat onder het bloed. Er waren geen externe verwondingen te zien.
Toen herinnerde Maggie zich de waarschuwing in het briefje. Ze besefte dat het te laat was. Er was geen bom. Er waren geen explosieven.
‘Misschien hebben we “explosie” verkeerd geïnterpreteerd,’ zei ze. In plaats van opluchting voelde ze haar maag omkeren.
‘Hoe bedoel je?’ Cunningham probeerde de vrouw beter te bekijken, terwijl het kleine meisje in zijn armen kronkelde.
‘In plaats van een explosieventeam hadden we een team gevaarlijke stoffen moeten laten komen.’ Ze kon iedereen om haar heen tot stilstand voelen komen. Het SWAT- en het explosieventeam stonden door haar woorden als aan de grond genageld.
Dat was het moment waarop Mary Louise begon over te geven. Uit haar pijnlijke buikje kwam rode en groene smurrie omhoog. Maggie kreeg een paar spetters op zich, maar Cunningham kwam helemaal onder te zitten.
‘Jezus!’ mompelde hij, terwijl hij braaksel en spuug van zijn gezicht veegde.