Hoofdstuk 61
USAMRIID
Platt zat achter zijn bureau met zijn stoel naar het raam gedraaid. Het was weer gaan regenen. Langs het glas gleden druppels naar beneden. De duisternis was teruggekeerd. In zijn hoofd bleef hij de uren en minuten berekenen. Hij kon het nog steeds niet stopzetten.
Door de Ebolamonsters te checken had hij geen van zijn theorieën, speculaties en vermoedens kunnen bewijzen of weerleggen. De laatste die zijn beveiligde sleutelkaart had gebruikt en de code had geactiveerd, was McCathy geweest. Hoeveel had hij gebruikt om tegen Ms. Kellermans bloed en dat van de andere slachtoffers te testen? Was het mogelijk dat er een kleine hoeveelheid onopgemerkt was verdwenen?
Uitputting speelde gemene spelletjes met de geest, een feit dat hij in gedachten hield terwijl hij zijn vermoedens op een rijtje zette. Stel dat de Ebola die naar Ms. Kellerman was gestuurd uit hun eigen lab was gekomen? Stel dat Janklow dat wist? Zelfs in het begin, toen hijzelf nog dacht dat het allemaal vals alarm kon zijn, had Janklow ervan overtuigd geleken dat het om een echt virus ging. En waarom was McCathy erbij betrokken? Waarom had Janklow erop gestaan dat het McCathy zou zijn, een microbioloog die gespecialiseerd was in biowapens, als Platt zelf genoeg ervaring had om te weten wat hij moest doen als ze echt met biowapens te maken hadden?
Had Janklow van tevoren geweten wat ze in Ms. Kellermans huis zouden aantreffen? Had hij al verwacht dat hij Platt als zondebok kon gebruiken, en dat McCathy mee zou werken?
Hij was moe. Deze gedachtegang was paranoïde.
Hij wreef in zijn ogen, leunde achterover, probeerde helder te worden.
Janklows woorden kon hij echter niet van zich afschudden: ‘Stel dat ze allemaal verdwenen?’
Platt keek op zijn horloge. Het was laat. Maar hopelijk niet te laat.
Nogmaals vouwde en ontvouwde hij het al sterk gekreukelde stukje papier waarop tien cijfers stonden gekrabbeld: het mobiele nummer van Roger Bix, hoofd van het CDC van het Outbreak Response and Surveillance Team, de afdeling die zich bezighield met alles wat bij een uitbraak van een virus kwam kijken.
Platt kende Bix van conferenties, een paar formele etentjes en een paar minder formele rondjes in hotelbars. Gelukkig hadden zij tweeën alleen oorlogsverhalen uitgewisseld en nog nooit samen aan een zaak hoeven werken. In ieder geval zou Bix kunnen bevestigen of ontkennen dat er Ebola uit een ander lab verdwenen was. Platt wist dat hij dit zou kunnen doen zonder iets toe te geven of te bekennen.
Ondanks het late tijdstip ging de telefoon slechts twee keer over.
‘Bix.’
Platt ging rechtop zitten.
‘Roger, met Benjamin Platt.’
Voordat Platt verder kon gaan, zei Roger Bix: ‘Dus hoeveel van het vaccin heb je bij elkaar weten te schrapen?’
‘Pardon?’
‘Het vaccin.’
Platt was verbijsterd. Had Janklow het CDC al ingelicht? Wat was er in vredesnaam aan de hand?
‘Luister, Ben,’ vervolgde Bix, Platts aarzeling verkeerd interpreterend. ‘Ik begrijp het dilemma waar jullie mee zitten.’ In zijn normale, zuidelijke, lijzige toon klonk iets van paniek door. ‘Maar zoals ik aan commandant Janklow heb uitgelegd kunnen we het ons niet veroorloven te lang te wachten. Ik heb een volledig geval van Ebola Zaïre in een buitenwijk van Chicago. Ze hebben deze arme sukkel in de operatiekamer opengesneden. Wie weet hoeveel mensen er zijn blootgesteld? En dan heb ik het niet alleen over het ziekenhuispersoneel. We hebben het over bezoekers, patiënten, zelfs over pasgeborenen op de kraamafdeling.’
Platt drukte de telefoon steviger tegen zijn oor. Zijn hart bonkte zo hard in zijn hoofd dat hij bijna niets anders kon horen. Hij zoog lucht naar binnen, haalde de hoorn weg van zijn mond en blies de lucht uit. Er was nog een geval. Nog een blootstelling.
‘Hij was hier in het ziekenhuis. Schroder, Markus Schroder. Lag hier drie of vier dagen. Een accountant, nota bene! Hoe komt een accountant in vredesnaam in aanraking met Ebola?’ Maar Bix wachtte niet op een antwoord. Hij was nog niet klaar. ‘Dit is een totale nachtmerrie, en het wordt alleen maar erger. De Binnenlandse Veiligheidsdienst zeurt aan mijn kop dat ik het stil moet houden. Iedereen maakt zich zorgen dat de verdomde media paniek gaan veroorzaken. Laat me je dit vertellen, Ben, als ik dat vaccin niet snel krijg, hoeven we niet bang te zijn dat de media paniek gaan veroorzaken.’
‘Ik ga meteen aan de slag. Ik bel je terug zodra ik het vaccin klaar heb liggen.’
‘Maak haast, Ben. We weten allebei hoe snel dit virus zich verspreidt.’
De klik die volgde klonk als de pal van een pistool die een lege kamer raakt, abrupt en hol.
Platt voelde zich als verlamd.
Er was nog een geval. Helemaal in Chicago. Had hij nog andere pakketjes verstuurd met microscopisch kleine beetjes Ebola, geconserveerd en verzegeld in hersluitbare plastic zakken die nu ergens lagen te wachten totdat ze geopend werden? Dit was groter dan iemand van hen zich had voorgesteld. Er was geen sprake van dat Janklow dit alles kon laten verdwijnen.
Toen herinnerde hij zich iets. Iets wat Janklow had gezegd dat McCathy hem over het virus had verteld. Dat er maar een microscopisch klein beetje voor nodig was – geprepareerd, verzegeld en afgeleverd, misschien zelfs per post – om een epidemie te veroorzaken. Dat was voordat Maggie de verstuurde envelop had overhandigd. Voordat ze wisten hoe het virus bij de Kellermans terecht was gekomen. Wist McCathy dat het op die manier was afgeleverd? Of was het een goede gok geweest?