Hoofdstuk 38
De Bak
De telefoon aan de muur deed Maggie weer opschrikken. Ze was helemaal opgegaan in haar zoektocht op het internet en had niet gemerkt dat er iemand was binnengekomen en bij het raam had plaatsgenomen.
Toen ze opkeek, zag ze dat Platts ogen op haar rustten, zó intens en zó doordringend dat ze zijn blik niet wilde ontmoeten. Hij wist iets, en het was slecht nieuws. Ze nam de tijd, sloot een document af en daarna de site, terwijl ze de telefoon liet rinkelen en hem liet wachten.
‘Bedankt voor de computer,’ zei ze toen ze eindelijk had opgenomen. ‘U gaat me vertellen dat ik er veel gebruik van zal maken, hè?’
Hij keek haar slechts aan, en ze zag dat hij zijn kaken te hard op elkaar klemde, zo hard dat de spieren trilden.
‘Je probeert me altijd voor te zijn,’ merkte hij op. Zijn gelaatsuitdrukking veranderde niet.
‘Sorry, dat is een gewoonte. Normaal gesproken ben ik degene die het slechte nieuws brengt. Ik ben er niet aan gewend dat het andersom is.’
‘Ben je altijd zo cynisch?’
‘Ik jaag op moordenaars om de kost te verdienen.’
‘Aha.’ Hij glimlachte, alsof dat alles verklaarde. ‘Je bent eraan gewend om mensen in de bak te gooien, niet om er zelf in te zitten.’
Hij wees naar haar stoel en stond op het punt om zelf ook te gaan zitten, maar ging weer rechtop staan en wachtte op haar. Ze wilde niet zitten. Ze wilde het slechte nieuws liever horen terwijl ze stond, of beter nog, ijsbeerde. Maar hij zag er zo uitgeput uit. Zijn pas gewassen haar was nog vochtig. Onder zijn ogen zaten dikke donkere wallen. Een witte veeg van iets – zeep misschien – stak op zijn kin af tegen de stoppels. En hij had andere kleren aangetrokken, een T-shirt met het universiteitslogo van William & Mary erop en een marineblauwe broek. Maar dezelfde witte sportschoenen.
‘Iets vertelt me dat u niet net lekker even hebt gejogd.’
‘Vanochtend niet, nee.’ Hij nam haar luchtige toon over maar ging rechtop zitten. Terwijl hij er, naar haar mening, uitzag alsof hij liever al zijn spieren wilde ontspannen, zoals hij eerder had gedaan.
‘Ik heb misschien iets gevonden,’ vertelde ze hem, alleen omdat ze er nog niet zeker van was of ze zijn nieuws al wilde horen. ‘Ik denk dat deze kerel bepaalde onderdelen van onopgeloste of oude misdaden nog eens overdoet.’
‘Waarom denk je dat?’ Hij keek nieuwsgierig, maar meer ook niet.
‘Ik heb een envelop in mijn bezit die ik in het huis van de Kellermans heb gevonden, dus ben ik op zoek gegaan naar –’
‘Je hebt bewijsmateriaal van een plaats delict verwijderd? Van besmet gebied?’ Nu zat hij op het puntje van zijn stoel.
‘Ik ben er heel secuur mee omgegaan.’ Toen zijn voorhoofd gefronst bleef, legde ze uit: ‘Ik heb de envelop in twee plastic zakken gedaan en die daarna voortdurend op mijn lichaam gedragen. Dus zou ik zeggen dat hij net zo veilig gedesinfecteerd is als ik op het moment ben.’ Ze keek hem recht aan, knipperde niet met haar ogen. ‘Wilt u niet weten wat ik heb gevonden?’
‘Je weet dat ik je kan aanklagen omdat je de United States Army in haar werk belemmert.’
‘O, natuurlijk. Ga u gang. Wat denkt u te doen? Me in de bak gooien?’
Ze staarden elkaar weer aan, als leden van twee verschillende bendes. Geen van beiden wilde de eerste zijn die wegkeek. Uiteindelijk was hij het. Hij bracht zijn vrije hand omhoog naar zijn gezicht, wreef stevig in zijn vermoeide ogen en daarna over de witte veeg op zijn kin. Ondertussen zakte hij onderuit op de hardplastic stoel, maar hij hield de telefoon tegen zijn oor gedrukt.
‘Ik moet hem onderzoeken,’ zei hij ten slotte.
‘Hij is helemaal van u.’
Misschien had hij verwacht dat ze zou protesteren. Misschien was hij gewoon moe.
‘Wat heb je gevonden?’
Ze legde het hem uit: het retouradres; James Lewis en de Tylenolmoorden van september 1982; Mary Kellerman en Mary Louise Kellerman; de stadsnamen die bijna hetzelfde waren en dat deze moordenaar de verjaardag wilde herdenken met een explosie.
‘Wat zat er in de envelop?’ vroeg hij.
‘Niets, behalve een lege plastic zak. Die heb ik niet opengemaakt, want het is bewijsmateriaal.’ Ze glimlachte naar hem, probeerde het goed te maken. Hij leek het niet op te merken.
‘De Kellermans zijn beslist aan iets blootgesteld geweest,’ zei Platt. ‘Maar het was geen cyanide. Ik zou bijna willen dat het zo simpel was.’
‘Het is geen vergif of toxine?’
‘Nee. Het is geen vergif.’ Langzaam schudde hij zijn hoofd, alsof hij wenste dat het dat was geweest. ‘Geen toxine.’
Ze wachtte.
‘Ik weet dat je een medische achtergrond hebt.’
‘Ik heb een aantal jaar medicijnen gestudeerd, maar dat is lang geleden.’ Hij maakte haar tot een collega, zodat ze zijn angst zou begrijpen. Terwijl hij haar een paar minuten geleden nog had behandeld als een tegenstandster die de rechtsgang belemmerde. Misschien was het simpelweg zijn uitputting. Zijzelf had ook niet geslapen. ‘Vertel het me alsjeblieft,’ zei ze omdat ze nu ongedurig werd. ‘Je hoeft het niet mooier te maken dan het is, en ik heb ook geen behoefte aan allerlei technische termen.’
Deze keer haalde hij diep adem, schoof weer naar voren op zijn stoel. Geen moment wendde hij zijn ogen van haar af.
‘Ms. Kellerman is blootgesteld geweest aan een virus dat haar lichaam is binnengedrongen. Het probeert zich in haar voort te planten. In haar cellen. Delen van het virus die zich afsplitsen, door de celwanden breken en zich dan via de bloedstroom naar de volgende cel bewegen.’
Maggie was ervan overtuigd dat ze bij het woord ‘virus’ opgehouden was met ademhalen. Ze hoefde niet meer te horen, maar Platt ging door.
‘Het is een parasiet die je nooit hoopt te zien. Een parasiet op zoek naar een perfecte gastheer.’ Hij zweeg even alsof hij een betere manier probeerde te vinden om het uit te leggen. Alsof hij zich iets probeerde te herinneren van lang geleden. ‘Het grootste probleem is dat mensen geen perfecte gastheren zijn. Ze houden het misschien één tot drie weken vol. Het virus maakt hen bijna altijd kapot. De gastheer bloedt dood, het virus komt met het bloed en slijm naar buiten en gaat op zoek naar een nieuwe gastheer.’
‘Dat klinkt alsof je het eerder hebt gezien.’
‘Dat dorp waarover ik je vertelde, net over de grens met Sierra Leone. Daar heb ik iets gelijksoortigs in mijn in handschoenen gestoken handen gehouden.’ Hij zei het eerbiedig, zachtjes als een fluistering of misschien een gebed.
‘Maar je bent niet ziek geworden.’ Maggie vond het vreselijk dat ze zo hoopvol klonk, terwijl ze geen enkele hoop op zijn gezicht kon ontdekken.
‘Dat was Lassakoorts. Ook een agens van niveau vier. Een virus van dezelfde familie. Maar niet te vergelijken.’
Ze sloot haar ogen en leunde achterover. Deze keer wachtte ze niet op hem. Dat was niet nodig.
‘Het is Ebola, hè?’ vroeg ze met haar ogen gesloten en haar hoofd tegen de stoelleuning rustend.
De telefoon hield ze stevig tegen haar oor gedrukt, zodat ze hem nog steeds duidelijk kon horen. Zodat ze hem over haar stokkende ademhaling, het pijnlijke gedreun in haar borst, het bonken van haar hart in haar ribbenkast kon blijven verstaan.
‘Ja,’ zei hij. ‘Het is Ebola Zaïre.’