***
Bijna elke dag ging hij naar Velp, ongerust. Moeder was oud en broos, werd met de dag magerder. Ze dacht er niet over naar een verzorgingsflat te gaan. Dagelijks werd er van Tafeltje-dek-je een warme maaltijd bezorgd; een dame van het dienstencentrum 'De Elleboog' maakte twee keer per week het huis schoon. Ymke kwam om de dag.
Casper had onaangename dromen in die periode. Zijn moeder had als dienstmeisje in pension 'Welgelegen' aan de Hoofdstraat gewerkt. Achter dat grote huis lag een parkachtige tuin met bemoste stenen banken langs de wandelpaden. Tussen de hoge bomen stonden tamme kastanjes. Hij liep daar samen met zijn moeder; zij ging op een bank zitten, terwijl hij kastanjes zocht. Toen hij zich naar haar omkeerde zag hij haar langzaam verdwijnen; ze loste op in de rugleuning van de bank. Hij rende terug, maar kon niet verhinderen dat ze langzaam maar onverbiddelijk verdween. Met een kreet van angst werd hij wakker. Die droom was duidelijk.
Casper belde zijn moeder altijd wanneer hij naar haar toe ging. Dan kon ze zich op zijn komst verheugen. Ze wachtte hem op in de keuken, bij het aanrecht en zodra ze hem het pad van de oude kwekerij zag op rijden, bracht ze haar hand voor haar gezicht, draaide hem zo dat haar pink bijna haar neus raakte, bewoog haar hand. Een lief en elegant gebaar dat hem altijd ontroerde, dat ze voorzover hij wist alleen voor hem gebruikte.
Er stond een warm briesje en moeder had het kleed van de tuintafel met aluminium spanners vastgezet. Ze zaten op de tuinbank onder de appelboom, met de rug naar de auto die op de plaats stond van de schommel, met de rug naar de haag bessenstruiken die nauwelijks meer droegen, met de rug naar de kwekerij die in de dampige hitte toch onzichtbaar bleef.
Ze was blij met zijn komst. Ze zuchtte ervan. Ondanks de warmte was ze toch rillerig en hij haalde haar zwarte omslagdoek die ze van Lucas en Ymke voor haar verjaardag gekregen had.
Lucas had onlangs een herinnering opgehaald. De schommel die vader had gemaakt was de hoogste van de buurt. Lucas sprong van het plankje als de schommel op zijn hoogste punt was. Wie het verst kwam was panter of lynx. Daar zette je een streep in de grond. Casper had zich daar niets van kunnen herinneren. Wel dat zijn broer zijn sportkousen onder zijn kuiten omsloeg om ze beter te laten uitkomen, dat Lucas zich een tijdlang een katachtige manier van lopen had aangewend.
Hij keek naar zijn moeders kleine handen. De huid was droog, glazig, een strak dun vliesje, dat geen kracht meer had zich ergens aan te hechten.
'Moeder, hoe laat ben ik geboren?'
'Waarom wil je dat weten?'
'Gewoon...' Er zou spoedig een tijd komen dat hij het haar niet meer kon vragen.
'Om acht uur 's morgens. Dat wist je toch?'
'En hoe ging de bevalling?'
'Heel gemakkelijk. Ik hoefde geen prik te krijgen om weeën op te wekken. Maar zoiets vraag je toch niet aan je oude moeder?'
Uit het dressoir haalde hij de trommel van Van Houten vol
foto's.
'Och, alweer die foto's, gekke jongen.'
Hij zocht die van moeder toen ze veertien was. Een meisje met een wit schort. Ze had toen dat dienstje in pension 'Welgelegen'. Toen die andere foto: Moeder met twee vriendinnen op een feestje van de zangvereniging. De drie vrouwen droegen hoeden met veel linten, schuin op het hoofd. Hun blik is fataal, hun pose uitdagend.
'Mag ik die foto's?'
'Nee, dan krijg ik last met Lucas... Nou goed, neem ze maar mee.'
Hij borg ze op in zijn binnenzak, drukte zijn moeder tegen zich aan.
Hij hoorde een auto de Bergweg op komen, hoopte niet dat het zijn broer was. Voor moeder was het plezierig onverwacht haar zoons weer bij zich te hebben, maar Lucas eiste direct alle aandacht op, sprak over zijn werk, had een tijdschrift bij zich waarin een artikel van hem stond.
Het was Lucas niet.
Moeder zei dat ze zo weinig meer kon en het was nog maar zo kort geleden dat ze niet wist wat vermoeidheid was.
'Nu zit ik vaak maar wat te suffen, een boek, daar kom ik niet meer doorheen. Soms ben ik zo ver weg dat ik vaders klompen op het schrapertje bij de achterdeur hoor en ben ik er zeker van dat hij binnenkomt.'
'Onder deze appelboom stond vader vroeger de vrachtwagen met cokes op te wachten.' De kolensjouwers droegen een cape van zwart leer. Ze gooiden de zakken leeg in het stortgat, waaruit een zwarte stofwalm opsteeg. Als alle kolen gestort waren dronken ze, staande op het pad, koffie. De beelden waren nog haarscherp.
'Papa kreeg altijd kolen, hoewel die van het jaar ervoor nog niet betaald waren. De kolenboer vertrouwde hem. Hij wist dat papa zijn best deed om te betalen. Al het verdiende geld ging aan de kolen op.'
Moeder beet op haar dunne lippen. Alle zachtheid verdween uit haar gezicht. Om haar mond lag bittere teleurstelling. Er was een leven lang geploeterd en waarvoor? Casper verdroeg dat gezicht niet. Hij wilde haar zacht en lief zien. Alleen dan voelde hij zichzelf zacht vanbinnen, en dacht te smelten.
Zo had ze ook gekeken toen Lucas in allerijl de kwekerij met het pad had verkocht en naar later bleek was vergeten bij de notaris het 'recht van overpad' te regelen. Lucas was zo trots op die verkoop geweest, wilde slechts één ding: geprezen worden. Die lof had zijn moeder hem toen onthouden. Aan duizend dingen tijdens de onderhandelingen had zijn broer gedacht, maar dat detail had hij over het hoofd gezien.
Moeder had Lucas boos aangekeken, terwijl ze de documenten aan het doorbladeren was en bleef die middag maar herhalen dat hij dat toch niet zo goed geregeld had, dat ze niet begreep hoe hij zoiets kon vergeten. Lucas verweerde zich. De schulden moesten worden afgelost. Ze hadden een koper nodig. Dat was het belangrijkste.
'Zoveel hebben we er niet voor gekregen,' bleef moeder toen mopperen. Nu kon de nieuwe eigenaar zomaar het pad naar de straat afsluiten en waren er geen legale middelen om dat te verhinderen. Haar kinderen konden er dan niet meer in met de auto.
'Dan parkeer ik hem wel op straat,' zei Lucas, die rustig bleef.
'En de nieuwe koper is gereformeerd. Geen type man die jou dwars gaat zitten.'
Lucas kreeg slechts kritiek van moeder. Hij, die zo zijn best had gedaan. Moeder zocht steun bij Casper. Maar Casper had op dat moment met zijn broer te doen. Hij vond dat moeder erover moest ophouden. De zaak was nu eenmaal verkocht en kon niet meer worden teruggedraaid. Casper wilde haar tegelijk ook niet openlijk afvallen en zweeg. Toen moeder nog een vervelende opmerking over die verkoop maakte, was Lucas kwaad geworden.
'Goed, ik heb het allemaal verkeerd gedaan. Zoek het dan zelf maar uit.' De koopakte had Lucas tegen de grond gesmeten, hij had nog geroepen: 'Hier kom ik nooit meer terug!' en was de kamer uitgerend, totaal overstuur, was het pad uit gerend zonder te zwaaien.
Moeder had aan de grond genageld midden in de kamer gestaan. Het was de eerste keer dat Lucas zo tegen haar uitviel.
Casper had zich ook van haar afgekeerd op dat moment: 'Was dat nou nodig? Ik ben tegen die hele verkoop, maar Lucas heeft het naar beste weten gedaan. Waarom blijf je er zo over doorzeuren?' Aangezet door de woorden die hij zelf uitsprak, was hem een kwaadaardig gevoel overvallen. Als ze zo onredelijk was, wilde hij ook weg, wilde hij met zijn moeder niets te maken hebben, wilde hij haar eenzaamheid, haar verdriet op dat moment nog groter maken. Hij verdrong dat gevoel onmiddellijk en bleef. Moeder zette toen thee, schonk in, maar hij was nog niet zo ver dat hij dankjewel kon zeggen.
Moeder had haar naaidoos gepakt. De vakjes waren bekleed met verschoten rood satijn. Hij zag de houten maasbal, de zilveren vingerhoed, het zilveren schaartje met de gevleugelde ogen en in een smal vakje, in elkaar geschoven hoedjes van zwarte stof. Vader schoof ze over de wijsvinger, de ingraafvinger, waaraan hij vaak verzweringen had. Lucas was in de loop van de middag teruggekeerd en had zijn auto op straat laten staan.
Toen hij bedremmeld de kamer binnenkwam, had moeder net gedaan of er niets aan de hand was.
'Jij ook thee, Lucas?' Daarna had hij toegegeven stom te zijn geweest. Hij kon zich wel voor zijn hoofd slaan dat hij dat 'recht van overpad' vergeten was... Nog meer dan Casper was hij voor haar een kind gebleven.
Ze rilde. Het was ook kouder geworden. Casper stelde voor naar binnen te gaan en gaf haar een arm. In de gootsteen lag, omgekeerd, het emaillen teiltje waarin vader na zijn werk zijn handen en voeten weekte en ze vervolgens inwreef met glycerine en kamferspiritus. In de kamer hing boven het dressoir het schilderij met de rode papavers, in de knop, in volle bloei, uitgebloeid. Ze gingen aan weerszijden van de kachel zitten. Op de schoorsteenmantel het heldere tikken van de pendule. In een oranje vaasje van Copier, gemaakt in 1938, ter gelegenheid van Beatrix' geboorte, drie pauwenveren.
Casper voelde zich schuldig vanwege die onaangename herinnering van daarnet. Dit keer had hij een kort bezoek willen brengen, maar hij bleef de rest van de dag bij haar.