Hoofdstuk 61
Henry Lee staarde naar de wandklok in de wachtkamer van de afdeling Hartbewaking. Hij zat hier nu al ruim vijftien minuten, terwijl de wijzers van de klok vooruitkropen. Het wachten deed een aanslag op zijn toch al uitgeputte zenuwen. Nog vijf minuten, en hij kon zijn volgende telefoontje naar Dixon plegen.
Iemand had de Tribune van zaterdag op de onbemande registratiebalie achtergelaten. Koppen en kleurenfoto’s van de explosie domineerden de voorpagina. Hij wilde er niets van zien. Kon er niet eens naar kijken.
Hij probeerde rustig te blijven. Net als zijn kleinzoon had hij zijn vingernagels al bijna tot bloedens toe afgebeten. Het was een oude gewoonte die hij dacht vervangen te hebben door single malt whisky, maar sinds Thanksgiving had hij geen druppel alcohol meer gehad. Nu was het al zaterdagochtend.
Over vierentwintig uur zou er een nieuwe aanslag plaatsvinden.
Hij schudde zijn hoofd. Niemand kon die aanslag voorkomen. Hij had er niet veel vertrouwen in dat speciaal agent Margaret O’Dell in staat zou zijn om iets te doen. Misschien kon ze de luchthavens en de Binnenlandse Veiligheidsdienst waarschuwen. Hij had zijn aandeel geleverd, had gedaan wat hij kon.
Hoewel hij wilde geloven dat de jonge FBI-agente een manier zou vinden om Dixon te redden, wist hij diep vanbinnen dat hij haar een belofte had afgedwongen die ze onmogelijk zou kunnen inlossen. Het zou aan hemzelf zijn om het heft in handen te nemen. Als hij Dixon weer wilde zien, moest hij deze keer met hen onderhandelen. Zijn woede opzijzetten en een deal maken.
De mensen die Dixon hadden, waren huurlingen, knechten van de Project Manager. Ze konden worden gekocht. Daar had hij zichzelf van overtuigd. Het kon hem niet schelen hoeveel geld ze wilden, hij zou ervoor zorgen. In zijn hoofd was hij zijn rekeningen al aan het bekijken en aan het bepalen van welke hij onmiddellijk geld zou kunnen opnemen. De feestdagen zouden het lastig maken, maar niet onmogelijk.
Eíndelijk. Het was tijd. Hij kon bellen.
Zijn handen begonnen weer met hun irritante getril, waardoor het een inspanning werd om de juiste cijfers op de telefoon van de wachtkamer in te toetsen.
Hij telde het aantal keren dat de telefoon overging… drie… vier… Ze moesten opnemen. Hij had netjes vijf uur gewacht, zoals ze hem hadden opgedragen. Maar in plaats van dat er werd opgenomen, klonk er een klik, en zijn eigen stem instrueerde hem om een bericht in te spreken.
‘Nee!’ Hij gooide de hoorn op de haak.
Zijn mobiel stond nog steeds aan. Hij zou geen vijf keer overgaan als ze hem hadden uitgezet of als de batterij leeg was. Waarom namen ze niet op? Ze moesten hem toch spreken? Hoe zouden ze losgeld kunnen krijgen als ze niet met hem praatten? Was dat niet wat ze wilden? Ja, ze moesten met hem praten. Het was in hun eigen belang dat ze met hem praatten.
Hij belde nogmaals, de cijfers razendsnel intoetsend alsof hij zijn vingers op die manier kon misleiden en ervan kon weerhouden te trillen. Het brandende zuur achter in zijn keel negerend, haalde hij diep adem. De telefoon ging weer een aantal keer over, tot er een klik klonk en daarna: ‘Henry Lee, spreek na de pieptoon alstublieft een bericht in.’