Hoofdstuk 38
Het had Maggie niet moeten verbazen dat A.D. Kunze vicedirecteur Wurths bewondering niet deelde voor de manier waarop ze de verdachte op het parkeerterrein had aangepakt. Het bleek dat de jongen een zestienjarige Soedanese vluchteling was, die tijdens de explosies van zijn net nieuwe pleegmoeder was gescheiden. Hij sprak best goed Engels, alleen was daar door zijn paniek niet veel van te merken. Pure angst had te veel verse herinneringen omhooggehaald aan hoe het er in zijn geboorteland aan toe was gegaan. Hij had instinctief gereageerd en was gevlucht. Gelukkig was hij niet gewond geraakt.
Maggie, daarentegen, wist dat ze een paar gekneusde ribben had. Het was geen goed idee om jezelf over motorkappen te gooien of tegen een grill van een SUV te laten smijten.
Terwijl ze toestond dat Wurth en een paramedicus haar uit haar kogelvrije vest hielpen, hield ze een hand op haar pijnlijke zij. Wurth had erop gestaan dat ze nagekeken werd en had haar naar het hotel aan de andere kant van de straat gebracht, waar een noodhospitaal was ingericht in een van de balzalen. Om de media te vermijden had hij een paramedicus overgehaald een klein kamertje naast de balzaal te gebruiken. Het lukte hun de media buiten de deur te houden. Maar met Kunze hadden ze niet zo’n geluk. Hij marcheerde naar binnen en begon haar onmiddellijk uit te foeteren.
‘Wat dacht je in vredesnaam dat je daar aan het doen was, O’Dell? Je werd alleen geacht ze te laten weten of de jongen een bom bij zich had.’ Hij torende boven haar uit, met zijn handen op zijn heupen en kloppende aderen in zijn dikke nek. ‘We wilden absoluut niet dat je de heldin ging uithangen. Je had de dood van een paar omstanders kunnen betekenen. Om het nog maar niet te hebben over de agenten. We hebben genoeg schietgrage eikels daarbuiten zonder dat jij ze een excuus geeft helemaal los te gaan.’
‘Dat is genoeg.’ Wurth verraste Maggie al net zo erg als Kunze.
‘Wát zei je net tegen me?’
‘Hou je kop.’ Wurth was zo’n twaalf centimeter kleiner dan Kunze en twintig kilo lichter, maar hij liet zich niet kennen. Zonder met zijn ogen te knipperen keek hij de FBI-directeur recht aan. ‘Je agent is daarbuiten moedig opgetreden.’
‘Moedig? Vond je dat spelletje pak-me-dan-als-je-kan moedig?’
‘Ze voorkwam dat een onschuldige jongen doodgeschoten werd. En ja, op een dag waarop we allemaal op zoek zijn naar iemand om neer te knallen voor wat hier is gebeurd, vind ik wat zij heeft gedaan, tamelijk moedig.’
‘Nou, het is jammer dat jij haar baas niet bent. Misschien zou ze dan geen berisping krijgen.’
‘Berisping?’ Dat snoerde Wurth de mond.
Wat Maggie betrof, die zou, alweer, niet verrast hebben moeten zijn. Ze zei niets. Sloot alleen even haar ogen tegen de scherpe pijnscheut in haar zij en trok de rest van haar beschermende kleding uit. Kunze was erin geslaagd ook de paramedicus de stuipen op het lijf te jagen, met als gevolg dat die ervandoor was gegaan.
‘Vijfenveertig minuten,’ zei Kunze. ‘Dat is hoeveel tijd jullie tweeën krijgen om jezelf op te knappen, voordat we live voor de camera’s gaan en uitleggen wat er net is gebeurd. Ik zie jullie dan.’
Ze zagen hem door de deur verdwijnen.
Wurth wendde zich tot Maggie. ‘Wat heb je die kerel in vredesnaam ooit aangedaan?’