Hoofdstuk 2
Newburgh Heights, Virginia
Maggie O’Dell liet een schotel gevulde champignons in de oven glijden en keek daarna uit haar keukenraam. In de achtertuin onderhield Harvey de gasten door in de lucht te springen om zijn frisbee te vangen. De witte labrador was zich aan het uitsloven. En haar gasten kwamen de grote hond tegemoet door hem lachend achterna te rennen te midden van de gevallen bladeren. Drie volwassen professionals die zich als kinderen gedroegen. Maggie glimlachte. Niets was beter dan een hond om het kind in iedereen naar boven te brengen.
‘Dit is alles bij elkaar een grote prestatie,’ zei haar vriendin, Gwen Patterson, pogend met haar kin te wijzen, terwijl haar handen druk bezig bleven met het snijden van uien.
Eerst dacht Maggie dat haar vriendin de hoeveelheid feestelijke lekkernijen bedoelde die ze samen hadden klaargemaakt. Het waren hapjes die eerder bedoeld leken voor een cocktailreceptie dan voor een footballmarathon op het grote scherm. Maar Gwen had het niet over het eten.
‘Ik bedoelde om ons hier allemaal samen te krijgen,’ legde ze uit. ‘Met ons allen op één plek zonder misdaad… of lijk.’
‘Ja, maar er is gratis eten en bier,’ zei Maggie. ‘Dat is normaal gesproken genoeg.’
‘Klopt.’ Gwen glimlachte. ‘Je hebt me nog niet verteld waarom je broer niet kon komen.’
‘Ik neem aan dat hij een beter aanbod heeft gekregen,’ reageerde Maggie, opgelucht dat ze met haar rug naar haar vriendin toe stond. Ze wilde niet dat Gwen de teleurstelling zag. Het was het beste om het luchtig te houden. Niet belangrijk. Haar vriendin was psychologe en zou direct gaan porren en graven, als Maggie niet voorzichtig was. ‘Hé, ik kan niet verwachten dat ik zijn leven binnen val en meteen een band met hem heb.’ Ze riskeerde een blik over haar schouder en zag dat haar intuïtie gelijk had.
Gwen was opgehouden met snijden en bestudeerde haar.
‘Er is altijd Kerstmis nog,’ voegde ze eraan toe. Ze wilde positief blijven, hoewel ze wist dat daar weinig reden toe was, aangezien ze het nog niet eens met hem had besproken. Eén afwijzing per telefoontje leek haar wel voldoende. ‘Denk je dat we genoeg eten hebben?’ probeerde ze haastig van onderwerp te veranderen. Dit was een dag bedoeld voor ontspanning. Geen stress. Gewoon football kijken met vrienden, een biertje drinken en hapjes met dodelijk hete sausjes eten.
‘Meer dan genoeg,’ verzekerde Gwen haar, waarna ze doorging met snijden.
Maggie stond met haar handen op haar heupen en aanschouwde het kookeiland vol bladen en borden met hapjes. Ze had nog nooit eerder een feest gegeven. Ook ging ze er niet vaak naar toe. In feite nodigde ze zelden mensen bij haar thuis uit. Gek dat als je garantie op leven verlengd wordt, je dingen gaat doen die je anders nooit zou hebben gedaan. Minder dan twee maanden daarvoor waren zij en haar baas, FBI-directeur Kyle Cunningham, blootgesteld geweest aan het ebolavirus. Zij had het overleefd. Cunningham had dat geluk niet gehad.
‘Ik weet niet of we genoeg hebben. Ik heb een aantal keren met Racine in de auto gezeten,’ zei ze. Ze poogde de herinneringen aan haar opsluiting in een isolatieruimte en het gevoel van hulpeloosheid bij het zien van de aftakeling van haar baas – van een vitale leider en mentor naar een skeletachtige invalide met buisjes en infusen in zijn lichaam – van zich af te schudden. Haar ogen sluitend, nog steeds met haar rug naar Gwen, greep ze zich aan de rand van het aanrecht vast, terwijl ze deed alsof ze de hapjes bestudeerde.
Houd het luchtig, bracht ze zichzelf in herinnering. Ontspan. Haal adem. Geniet.
‘Je zou het nooit zeggen wanneer je Racine ziet, maar die kan een hoop eten verstouwen.’
Op dat moment kwam Julia Racine door de achterdeur naar binnen, met haar korte, piekerige, blonde haar door de war, een paar droge bladeren op haar sweatshirt en een moddervlek op de knie van haar blauwe spijkerbroek. De geur van herfst zweefde met haar mee. Ze leek meer op een punkzangeres dan op een rechercheur Moordzaken.
‘Je hond speelt vals,’ kondigde ze aan, haar vingers door haar haar halend terwijl ze de activiteiten in de keuken bekeek. ‘Hij weet hoe hij de weg moet afsnijden,’ vervolgde ze, maar de onbekommerde vrolijkheid in haar stem verdween toen haar blik van Maggie, die in de gootsteen bleekselderij aan het wassen was, naar de uien hakkende Gwen bij het kookeiland ging.
Maggie merkte meteen dat Racine zich niet op haar gemak voelde. Dat was niet alleen in Maggies keuken het geval, maar in elke keuken. De lange slanke rechercheur kruiste haar armen en bleef in een hoekje staan. Waarschijnlijk zou ze liever weer buiten zijn met Harvey, Ben en Tully. Racine was geen vrouw die aan het gezelschap van andere vrouwen gewend was. Dat begreep Maggie. Te veel uren doorgebracht met mannelijke collega’s. Vaak deed Julia Racine haar denken aan een jongere versie van zichzelf.
‘Achter je,’ zei ze, wijzend naar de kast waartegen Racine leunde, ‘staan vierkante witte bordjes. Kun je een stapeltje pakken en ze op het kookeiland neerzetten? En ook een paar glazen.’
Racine leek verbaasd door het verzoek, maar Maggie ging door met koken zonder verder nog iets te zeggen. Vanuit haar ooghoeken zag ze dat Racine zich herstelde en achteloos de borden en glazen pakte.
Maggie legde de net gewassen bos bleekselderij op een stuk keukenpapier naast Gwens snijplank. Ze haalde er een paar stengels uit, waarvan ze er eentje aan Racine overhandigde, waarna ze er zelf ook een in haar mond stak. Toen de rechercheur tegen het kookeiland aan leunde, leek ze niet zo stijf en verloren meer.
‘En…’ zei Racine, in de stengel bleekselderij bijtend, terwijl ze het woord in de lucht liet hangen. Ze voelde zich duidelijk meer op haar gemak. ‘…hoe zit het met jou en Benjamin Platt?’
Maggie wierp een blik op Gwen.
‘Dat is eigenlijk een heel goede vraag,’ zei die, verdedigend haar schouders ophalend.
Waarschijnlijk zou het haar gaan spijten, besefte Maggie, dat ze Racine in de keuken op haar gemak had gesteld.
‘Hij is een lekker stuk,’ vervolgde de rechercheur. ‘Tenminste, als je op dat militaire avonturierstype valt.’
‘Hij is arts,’ wierp Maggie tegen.
‘Legerarts,’ voegde Gwen eraan toe.
Maggie hield op met wat ze aan het doen was. Ze negeerde Gwen maar keek Racine even recht in de ogen, waardoor de rechercheur zich genoodzaakt voelde de borden en glazen die ze net had neergezet, te herschikken. Maggies eerste opwelling was om zich af te vragen of de jonge, stoere en keiharde rechercheur jaloers was… op Platt. Niet op Maggie. Een aantal jaren daarvoor, toen Racine en Maggie elkaar nog maar pas kenden, had Racine toegegeven dat ze zich tot haar aangetrokken voelde. Ze had haar zelfs proberen te versieren. Op de een of andere manier hadden ze dat allemaal achter zich kunnen laten en waren ze vriendinnen geworden. Gewoon vriendinnen. Hoewel Maggie zich op dit soort momenten afvroeg of Racine niet nog steeds op meer hoopte.
Misschien kwam dat door een tijdelijke tegenslag in Racines eigen liefdesleven. Ze had haar laatste liefde niet eens genoemd, ook al had Maggie haar gezegd iemand mee te nemen. In plaats van naar de ongrijpbare geliefde te informeren, die – als Maggie zich het goed herinnerde – zelf in het leger zat en als militaire avonturierster bestempeld kon worden, zei ze simpelweg: ‘Ben is een goede vriend.’
Verdere discussie werd voorkomen doordat Maggies mobiel overging. Opgelucht nam ze op. ‘Met Maggie O’Dell.’
Zodra ze de stem van haar nieuwe baas hoorde, spanden de spieren in haar nek zich aan. Haar vrije weekend stond op het punt te eindigen.