Hoofdstuk 27

 

 

 

Een paar minuten lang was Rebecca terug in de slaapkamer waarin ze was opgegroeid, met het licht dat door de gele gaasgordijnen filterde en het geluid van de windjammer buiten haar raam op de eerste verdieping. Ze kon gebakken spek ruiken en stelde zich haar ouders voor, beneden in de keuken. Haar moeder dekte de zondagse ontbijttafel met felgekleurde placemats en langstelige glazen voor hun sinaasappelsap. Haar vader speelde voor kok, wachtend op Rebecca voordat hij met zijn pannenkoekenvoorstelling zou beginnen. Die zondagochtenden waren niet slechts show. Haar ouders waren echt gelukkig geweest. Ze hadden elkaar geplaagd uit liefde, niet uit nijd. Ze wilde zich onderdompelen in dat moment, dat gevoel van rust en veiligheid, en zich erdoor laten troosten. Als ze haar prikkende huid, de pijn in haar arm, die diepe brandende sensatie maar kon negeren.

Haar ogen gingen knipperend open. Rebecca droeg ze op gesloten te blijven. Ze wilden niet luisteren. In de waas om haar heen kolkten beeld en geluid door elkaar. Voordat haar ogen zich scherp konden stellen, begon ze zich dingen te herinneren: kerstmuziek, een lachende Dixon, een glimlachende Patrick. En toen… exploderende rugzakken.

Ze realiseerde zich niet dat ze had geprobeerd rechtop te gaan zitten, totdat ze handen op haar schouders voelde die haar naar beneden duwden.

‘Het is oké.’

Ze herkende de stem en zocht ernaar. Patricks gezicht danste voor haar, werd langzaam scherp. Er was geen glimlach, alleen bezorgdheid. Ze probeerde zich te herinneren hoe ernstig ze gewond was geraakt? Omdat ze het beeld van een arm voor zich zag, die los naast haar op de grond lag, checkte ze haastig haar eigen armen. Eentje zat in het verband. In de andere stak een infuus. Maar ze waren er nog, en ze zaten allebei aan haar lichaam vast.

‘Alles is in orde met je, liefje,’ zei een vrouwenstem ergens boven haar hoofd. ‘Ontspan en blijf rustig liggen.’

‘Weet je nog wat er gebeurd is?’ vroeg Patrick.

Ze knikte. Haar keel voelde aan als schuurpapier. Ze probeerde haar lippen te bevochtigen. Dat merkte hij, en hij keek zoekend om zich heen, waarna hij een fles water aan haar mond zette. Hij was heel voorzichtig, gaf haar kleine slokjes terwijl ze eigenlijk de hele fles in één teug naar binnen wilde gieten. Ze wist dat haar frustratie hem niet ontging, maar toch bleef hij haar halsstarrig kleine slokjes geven.

‘Waar zijn we?’

‘Het hotel tegenover,’ zei hij.

‘Waar?’

‘Tegenover de mall. Ze hebben hier een noodopvang ingericht.’

‘Maar het ziekenhuis… Ik dacht dat we naar het ziekenhuis zouden gaan.’

‘Het is oké.’ Hij pakte haar hand. ‘Ze konden je hier behandelen. Je hoeft niet naar het ziekenhuis.’

Ze ging weer rechtop zitten. Deze keer hielp Patrick haar, in plaats van haar naar beneden te duwen. Haar ogen scanden de kamer, in de chaos zoekend naar de man met de injectiespuit.

‘Hij is hier niet,’ zei Patrick. ‘Ik heb goed opgelet.’

Ze ontweek zijn blik en ging door met haar eigen onderzoek. De man met de spuit wist dat ze nog in leven was. Ondanks het infuus dat in haar hand prikte, streek ze over haar voorhoofd. Haar huid was klam van het zweet, en ze voelde zich licht in haar hoofd. Dixons sms dreunde in haar hoofd. Hij had gezegd dat ze niet veilig was. Dat ze niemand kon vertrouwen. Zelfs Patrick niet.

Had de man met de spuit het opgegeven, omdat hij wist dat ze bij Patrick was en dat hij haar niet kon pakken? Of hoefde hij haar niet langer te pakken, omdát ze bij Patrick was?

Ze wierp een blik op haar vriend. Zijn haar zat door de war, en er zaten donkere stoppels op zijn wangen. Zijn ogen keken naar haar met een intensiteit die ze niet van hem kende. Wat was het? Bezorgdheid, paniek, uitputting? Of iets anders? Hoe goed kende ze Patrick Murphy eigenlijk?

‘Gaat het?’ vroeg hij, terwijl hij haar hand weer wilde pakken.

Ze trok haar hand weg en legde hem op haar verbonden arm alsof ze daarmee de pijn wilde bezweren.

‘Hebben ze me iets gegeven? Tegen de pijn?’

‘Ik denk dat ze je alleen plaatselijk verdoofd heeft.’ Hij keek al om zich heen, op zoek naar een verpleegster of paramedicus. ‘Doet het erg zeer?’

Nu was er geen twijfel mogelijk. Bezorgdheid vulde zijn ogen toen hij haar weer aankeek.

‘Zou je op zoek kunnen gaan naar iets van pijnstillers of zo?’

‘Tuurlijk. Ik ben zo terug.’

Rebecca zag hem zigzaggend door de eerstehulpteams naar de dichtstbijzijnde uitgang lopen. Voorzichtig klopte ze op haar broekzakken, maar ze stopte toen ze hem in haar richting zag kijken. Zodra hij uit zicht was verdwenen, draaide ze zich om naar haar jas. Ze had Dixons iPhone snel gevonden. Hij stond uit. Ze besloot dat zo te laten.

De naald en het infuus bijna vergetend, schoof ze haastig naar de rand van de met een laken bedekte tafel. Nog een blik over haar schouder. Geen Patrick. Ze beet op haar onderlip en trok de naald uit haar hand, haar elleboog buigend om een eventuele bloeding te stelpen. Daarna liet ze zich van de tafel zakken, onhandig, zonder haar handen te gebruiken en pogend de pijn in haar verbonden arm te negeren.

Nog steeds geen teken van Patrick. Aan de andere kant van de zaal zag ze een bordje met UITGANG, en daar ging ze op af. Binnen een paar minuten had ze zich een weg gebaand door de volle lobby en een pinautomaat gevonden. Niemand besteedde aandacht aan haar. Er was te veel tumult. Ze hield haar hoofd gebogen, maar haar ogen schoten alle kanten op. Nadat ze haar kaart in de automaat had gestoken, toetste ze haar pincode in. Ze zou genoeg geld opnemen voor een taxi en iets te eten. Misschien had ze ook geld nodig voor een hotelkamer, maar dan eentje vlak bij het ziekenhuis.

De automaat spuugde de kaart uit, en er verschenen knipperende letters op het scherm: KAART GEWEIGERD.

Dat moest een vergissing zijn.

Ze had deze kaart tijdens hun tocht een paar keer en op verschillende plekken gebruikt. Er moest nog zo’n 425 dollar op haar rekening staan, wist ze. Ze stak de kaart weer in de gleuf, maar voordat ze de pin kon intoetsen, had de machine hem alweer uitgespuwd, het bericht herhalend.

Ze keek om zich heen. Nog steeds besteedde niemand enige aandacht aan haar. Er was te veel chaos binnen en buiten om haar plotselinge paniek op te merken.

Ze haalde haar enige creditkaart tevoorschijn. De vorige maand had ze er geld mee opgenomen. Ze had een substantiële bestedingslimiet, maar had zich voorgenomen die alleen als laatste redmiddel te gebruiken. Deze situatie kwam beslist in aanmerking. Ze liet de creditcard in de automaat glijden, wachtte even en toetste de pincode in. Misschien kon ze maar beter extra geld opnemen, vooral omdat haar andere pas niet werkte. Voor de zekerheid. Het enige wat ze nog in haar zakken had, was het wisselgeld van een briefje van twintig.

De automaat spuugde ook deze kaart uit. KAART GEWEIGERD.

Niet in paniek raken, vertelde ze zichzelf. Er is gewoon iets mis met deze automaat. Dus moest ze op zoek naar een andere. Niets aan de hand.

Ze vond de uitgang na met zelfverzekerde passen tussen de hulpverleners en bebloede slachtoffers door te zijn gelopen. Vergeleken met die laatsten was ze in goede staat. Dat was wat ze zich voorhield. Toen duwde ze de zijdeur open en stond buiten. Wanneer was het zo donker geworden?

De kou sloeg haar in het gezicht. Ze hapte naar adem. Het was weer gaan sneeuwen. De wind geselde haar. Aan deze kant van het hotel stonden alleen een paar lantaarnpalen op de hoeken van het parkeerterrein. En plotseling leek de zelfverzekerheid uit haar te vloeien. Ze was helemaal alleen. Dat was niet nieuw. Ze was eraan gewend om alleen te zijn. Dus waarom voelde het deze keer aan alsof ze van een klif af gleed?

Zwarte Vrijdag
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html
section-0085.html
section-0086.html
section-0087.html
section-0088.html
section-0089.html