Kathrine werd langzaam wakker. Ze was zo moe dat ze bijna had besloten nooit meer wakker te worden. Het eerste wat ze zag was de armband die een zachte glans verspreidde in het donker. Hij was vlak bij haar. Hij fluisterde: “Kathrine. Je gaat sterven.” Ze schreeuwde luid omdat een fel licht het vertrek binnenstroomde. Hij was alweer terug. Dat klopte niet. Anders zat er veel meer tijd tussen zijn bezoeken.

“Hou op met dat gejammer. Ik kan niet tegen dat zielige gedrag.”

Ze greep de kruk die ze klaar had liggen tegen de muur, achter de matras. Hij voelde zwaarder aan dan ooit. Ze sloeg en maaide om zich heen. Het deed pijn in haar bovenarmen. Ze voelde dat ze in twee verschillende werelden was. Haar hersenen waren ervan overtuigd dat het een droom was. Maar ze wist dat ze niet zo duidelijk kon dromen.

Het pistool ging af, maar de kogel trof haar niet. Hij wierp zich op haar. Ze sloeg naar zijn mond. Ze zag de opengesperde ogen die haar vol verachting aankeken, maar hij zei niets. Toen ze schreeuwde klonk ze niet als zichzelf.

“Alleen maar omdat je een verrader bent”, riep hij en hij greep haar hand. Ze voelde een klamme vochtigheid en ze begreep dat het zijn mond was. Zijn tanden boorden zich in haar vingers en beten haar tot op het bot.

Ze gilde. De pijn was verschrikkelijk, maar toen ze haar hand wist te bevrijden, kon ze hem nog een keer slaan. Een tel later werd alles stil. Ze merkte plotseling dat de deur achter hem openstond. Het was vreemd om de koude lucht op haar gezicht te voelen. Hij moest de buitenste deur ook open hebben gelaten. In de verte hoorde ze regendruppels op metaal.

De redding waarvan ze had gedroomd en waarover ze zo vaak had gefantaseerd, leek nu afstotelijk. Hoe frisser de lucht werd, hoe verder ze naar achteren kroop. Ze wilde opstaan en weglopen, maar ze kon niet. Ze wilde liever haar ogen sluiten. Ze wilde liever rusten. Toen hoorde ze hem een stukje verderop jammeren: “Heb ik je niet geraakt?”

Ze gaf geen antwoord, maar wist een stukje overeind te komen. Ze pakte de kruk weer. Tilde hem nog een keer op terwijl ze langzaam opstond.

Plotseling kwam de kruk weer neer op zijn schedel. De pijn schoot door zijn hoofd. Een dun streepje warm bloed stroomde over zijn gezicht. Het metaal trof zijn oor dat brandde van pijn. Hij probeerde zich te beschermen door zijn armen boven zijn hoofd te houden. Het licht uit de badkamer viel over de stenen vloer en kruiste de lichtstreep uit de gang. Alf Boris Moen lag midden in de kruising van het licht. Hij had zijn pruik verloren. Hij zag vaag Kathrine staan. Woede welde op achter zijn voorhoofd. Hij zwaaide met zijn armen, probeerde haar been te pakken. Na drie pogingen had hij succes. Kathrine smakte op de stenen vloer, half over hem heen.