Helena Bjerke zat buiten op het terras en inhaleerde de rook van haar sigaret diep in haar longen. Ze rustte met haar hoofd tegen de buitenmuur en had haar oogleden half gesloten. Haar blik verplaatste zich langzaam van de ene naar de andere kant, zonder dat ze echt iets zag. Ze liet het landschap, met de zee als een blauwgrijze streep langs de rand van het beeld, diffuus langs zich heen glijden zonder het echt waar te nemen. Ze nam nog een trek van haar sigaret. Ze merkte dat haar handen beefden en sloot haar ogen weer. De zon wierp een vriendelijk licht over haar lichaam dat gekleed was in een versleten ski-jack en een zwarte spijkerbroek. Ze voelde hoe het licht haar vermoeide gezicht verwarmde.
Het was Helena Bjerke opgevallen dat haar lichaamsgeur was veranderd. Ze rook naar angst, en verdriet. Wat was er gebeurd met Kathrine? In haar hoofd werd het beeld van haar dochter steeds groter. Ze stond op het punt om gek te worden. De gedachten bleven maar in haar hoofd rondspoken. Dag en nacht. Dat haar moeder was vermoord, kon ze niet vatten. Die schok was als een donderslag bij heldere hemel gekomen en had de chaos nog versterkt. Ze bevond zich in een nachtmerrie. Dit was meer dan een mens kon verdragen. Ze had tien minuten geleden aan de telefoon met haar broer gesproken. Hij had gehuild en was totaal buiten zinnen geweest. Ze kon hem niet troosten en Alf Boris kon haar niet troosten. Hij had gezegd dat hij die middag naar haar toe zou komen.
Zo werd Helena Bjerke door de rechercheurs aangetroffen, zittend op het rommelige terras. Aan de zijkant stond een stapel oud tuinmeubilair. Voor haar op tafel stond een glas met een lichtbruine inhoud. Haar ogen waren dik van het huilen.
Ze keek hulpeloos op naar de politieman die voor haar stond. De blonde man zag er aardig uit. Hij stelde zichzelf en zijn collega voor. Ze knikte even en vergat de namen op hetzelfde moment.
Cato Isaksen draaide zich om en keek uil over het water. De mooie omgeving stond in schril contrast met de situatie van deze vrouw. Hij nam een stoel van de stapel. Hij gal’ hem aan Roger Høibakk en pakte er nog een voor zichzelf. Helena Bjerke maakte een apathische indruk. Dat was misschien ook niet zo vreemd als ze juist had gehoord dat haar moeder was vermoord. Cato Isaksen haatte dergelijke ontmoetingen. Soms betrapte hij zichzelf op een wrang gevoel van vreugde dat het hemzelf niet betrof.
“We zijn genoodzaakt u een aantal vragen te stellen”, verontschuldigde hij zich.
“Ik drink melk met cognac”, zei Helena Bjerke. “Moeder deed dat altijd als ze zich ziek voelde. Wij kregen het ook als we verkouden waren. Alf en ik, toen we klein waren”, voegde ze eraan toe terwijl ze zich vooroverboog en haar handen om het glas legde. Haar wervelkolom tekende zich messcherp onder haar jack af.
“De verdwijning van uw dochter…”
Helena Bjerke nam een slok uit het glas, zette het met een klap terug op tafel en liet haar tranen stromen. Ze had met ontelbare mensen over de verdwijning van Kathrine gesproken. Vrienden, bekenden, familie, buren en de politie. Het had niet geholpen. Ze hadden haar niet gevonden.
Roger Høibakk gaf commentaar op het mooie uitzicht. Hij had een idee-fixe dat hij met onbenullige opmerkingen mensen kon afleiden van hun verdriet. Soms kwam dat erg ongepast over. Zoals nu. Cato Isaksen keek hem boos aan voor hij zich plichtbewust omdraaide en naar de veerboot keek die op weg naar Denemarken juist uit het zicht verdween. Aan de overkant van de fjord lag het schiereiland Hurumlandet.
Roger Høibakk keek haar glimlachend aan. Het leek alsof Helena Bjerke ontwaakte. Ze drukte driftig haar sigaret uit in de asbak, trok haar ski-jack dichter om zich heen en stak van wal.
“Jullie moeten dit uitzoeken”, zei ze luid. Het was geen vraag, het was een bevel.
“We doen ons best”, zei Cato Isaksen.
Helena Bjerke hield zijn blik vast.
“Ze had eigenlijk Katharina moeten heten, naar haar overgrootmoeder”, begon ze. “Maar dat was eigenlijk iets té. Mijn grootmoeder was Russische, begrijpt u. Kathrines overgrootmoeder.” Een verbitterde glimlach verscheen om haar lippen. “In 1905 kwam ze als achttienjarige hierheen. In hetzelfde jaar waarin Noorwegen zich losmaakte uit de unie met Zweden. Ze kreeg maar één kind, mijn moeder. Toen was ze al veertig.”
De rechercheurs keken haar zwijgend aan.
“Maar het werd dus Kathrine”, besloot ze haar verhaal en ze nam nog een slok van de cognacmelk.
“Hebt u meer kinderen?” Cato Isaksen vulde zijn longen met frisse zeelucht.
“Nee.”
“Wat deed Kathrine zo laat buiten in de nacht waarin ze verdween?”
“Ik weet het niet.” Helena Bjerke keek hem vermoeid aan. Meestal was ze om een uur of halfelf wel thuis.”
Cato Isaksen vond dat nogal laat voor een veertienjarige op een doordeweekse dag, maar hij zei niets.
“We waren boos, Tage en ik. De man met wie ik samenwoon”, verklaarde ze. “Want we konden niet naar bed. We waren woedend. Pas om een uur of halftwee begon ik echt bang te worden.”
“Was dat niet wat laat?”
“Jawel, maar u kent Kathrine niet. Ze provoceert wel vaker en ik wist dat ze boos was op Tage.”
“Waarom?”
“Hij stelde grenzen aan haar gedrag. Hij is strenger dan ik. Dat is ook wel eens moeilijk.”
“Maar om een uur of halftwee geloofde u dat er wel eens iets gebeurd kon zijn?”
“Dat wist ik toch niet en omdat het al zo laat was kon ik ook niemand bellen om te vragen of zij iets wisten. Dus kleedden Tage en ik ons aan en gingen we naar buiten om te zoeken. We gingen eerst naar Kenneth.”
“Haar vriend?” viel Cato Isaksen haar in de rede.
Helena Bjerke knikte. “Daar was alles donker. Toen gingen we naar Maiken, haar beste vriendin. Daar brandde ook geen licht. Ik kon om die tijd mijn moeder niet meer bellen, dus belde ik Alf, maar hij sliep. Tage is naar de boot gegaan om te kijken of ze daar was, terwijl ik naar huis ging om te kijken of ze misschien thuis was gekomen. Een uur later hebben we de politie gebeld. Toen was het even na drieën.”
“Dus jullie hebben een boot?”
“Tage heeft een boot. Die ligt hier beneden in de haven.”
“Hoe was de relatie tussen uw moeder en Kathrine?” Roger Høibakk merkte hoe de koude voorjaarslucht ondanks de zon langs zijn benen omhoog kroop.
Helena Bjerke keek verschrikt op, alsof ze even vergeten was dat haar moeder was vermoord.
“Mama was…” begon ze. Ze moest zich beheersen om niet in tranen uit te barsten. Ze wreef driftig over haar ogen. Haar mond trilde vervaarlijk. “Mama was de liefste mens ter wereld”, ging ze verder. “Ze was dol op Kathrine, haar enige kleinkind. En Kathrine was dol op haar”, zei ze verdrietig. Ze zweeg even. Niet meer huilen, dacht Cato Isaksen gelaten. Hij merkte dat hij in de loop der jaren steeds ongeduldiger werd met naaste familieleden. Roger was hier beter in.
Helena Bjerke wendde zich gedeeltelijk af. Haar gezicht leek een masker. Haar ogen waren leeg.
“Zou er een verband kunnen zijn? Bent u daarom hier?”
“Dat weten we niet”, zei Roger Høibakk voorzichtig.
“Maar daarom bent u hier”, herhaalde ze.
“We moeten bekennen dat we ons in de eerste plaats bezighouden met het onderzoek naar de moord op uw moeder”, zei Cato Isaksen. “Heeft Kathrine op de dag van haar verdwijning nog contact gehad met haar grootmoeder? Of de dag ervoor?”
“Niet op de dag dat ze verdween, maar een paar dagen eerder is ze bij haar geweest. Toen heeft ze haar enkel gebroken. Ze viel van de trap.” De rechercheurs keken elkaar aan.
“We lazen in een rapport dat ze met krukken liep”, zei Cato Isaksen. “Kunt u misschien een lijst maken van de mensen waar uw moeder mee omging? Haar vrienden… en vijanden.”
“Mama had geen vijanden”, viel Helena Bjerke hem verontwaardigd in de rede.
“Er was niemand met wie ze onenigheid had?”
“Absoluut niet.”
“En in het verleden…”
“Mama had geen vijanden” herhaalde Helena Bjerke bits. “Zo was ze niet.”
“Drinkt uw broer?” Cato Isaksen hoorde zelf hoe bruut de vraag klonk, maar een van de tactieken voor het verhoren van getuigen was om snel van het ene naar het andere onderwerp over te schakelen.
“Drinken?” Helena Bjerke keek hem vol onbegrip aan. “Wat bedoelt u?”
“We dachten dat hij gisteravond naar alcohol rook toen we hem op de hoogte kwamen stellen”, zei Roger Høibakk ontwapenend.
“Nee”, zei ze. “Daar geloof ik niets van. Hij drinkt niet.”
Misschien probeerde hij zijn zenuwen tot rust te brengen, dacht Cato Isaksen.
“Maar misschien heeft hij wel een borrel genomen vanwege die toestand met Kathrine”, zei ze nadenkend. “Hij trekt het zich erg aan.”
“Natuurlijk”, zei Roger Høibakk. “Hoe is uw relatie met uw broer?”
Helena Bjerke drukte de sigaret uit in de asbak. Ze leek even onzeker, alsof ze na moest denken.
“Alf is de beste broer, oom en zoon die je je maar voor kunt stellen”, zei ze luid. “Ik weet niet wat ik zonder hem had gedaan. Hij is sinds de verdwijning van Kathrine bijna elke dag hier geweest. Alf Boris probeert altijd alles te regelen. Hij houdt de familie bij elkaar. Nu is er niet veel familie meer over om bij elkaar te houden.” Ze sloot haar ogen en haar mond begon weer vervaarlijk te trillen. “Nu zijn we nog maar met zijn tweeën”, zei ze verdrietig.
De rechercheurs zeiden niets. Het gezicht van de vrouw op de bank kreeg een boze uitdrukking, alsof er in haar verdriet ook veel woede zat.
“Ik heb valium ingenomen”, zei ze. “Daarom kan ik met jullie praten.”
Cato Isaksen draaide zich om en keek weer uit over het landschap. Voornamelijk om iets te doen in de korte stiltes die anders niet om uit te houden waren. Misschien had ze gelijk. Misschien had Alf Boris een borrel genomen vanwege de toestand met zijn nichtje.
Een windvlaag drong onder zijn jas en blies koud langs zijn wervelkolom.
“Weet u wat het ergste is?” Helena Bjerke schoof onrustig heen en weer. “Binnenkort, over een paar weken, wappert hier overal de vlag. Op 13 mei. Kathrines confirmatiedag. Er zouden een heleboel mensen komen. De gastenlijst ligt al klaar. Ik heb zelfs al servetten gekocht. Roze, met vlinders erop. Ze wordt in de kerk geconfirmeerd, niet burgerlijk zoals veel van haar vrienden.”
“Het is nog lang geen 13 mei”, zei Cato Isaksen.
Hoofdschuddend zei Helena Bjerke zachtjes: “U gelooft toch zelf niet…”
Cato Isaksen wachtte even voor hij verderging. “Was ze gelovig?” Plotseling viel zijn oog op een exemplaar van VG met de foto van Kathrine op de voorpagina. Hij lag half onder het kussen waarop haar moeder zat.
Helena Bjerke schudde het hoofd.
“Ze geloofde niet”, zei ze. “Maar haar vader heeft haar overgehaald af te zien van burgerlijke confirmatie, hij vond dat ze zich aan de familietraditie moest houden. Etiquette is voor hem altijd heel belangrijk geweest.”
“We hebben nog niet met hem gesproken”, zei Cato Isaksen ernstig. “Morgen neem ik in de loop van de dag contact met hem op.”
“Hij heeft niets te vertellen.” Kathrines moeder stak een nieuwe sigaret op. Ze nam een diepe trek en legde de roze aansteker op de oude tuintafel. “En laat Tage met rust. Er wordt al zoveel gekletst”, vervolgde ze.
“Wat wordt er verteld?” Roger Høibakk pakte een Ray Ban-zonnebril uit de binnenzak van zijn leren jack en zette hem op.
“Van die idiote verhalen”, zei ze. “Dat hij er iets mee te maken heeft.”
“Met Kathrines verdwijning, bedoelt u?”
“Ja. En dat is je reinste onzin. Alleen maar geroddel. Hij heeft er niets mee te maken”, concludeerde ze. “Hij was die avond thuis. Hij was thuis op de avond dat Kathrine verdween.”
Cato Isaksen wachtte even.
“Bent u getrouwd?” vroeg hij.
“Ik heb toch gezegd dat we samenwonen. We wonen al vijf jaar samen.”
“Waarom wordt er over hem geroddeld?” Roger Høibakk zette zijn zonnebril recht.
“Tja, waarom?” Helena Bjerke haalde verslagen de schouders op. “Zo gaan die dingen. Mensen praten. Vrienden van Kathrine van wie de ouders een nieuwe partner hebben, vinden het ook moeilijk. Zo gaat dat hier.”
“Ik begrijp wat u bedoelt”, zei Cato Isaksen, hij dacht aan de verhouding tussen zijn oudste zoon en Sigrid.
“En haar stiefvader?” vroeg Roger Høibakk. “Hoe is zijn relatie met Kathrine?”
“Hij is haar stiefvader niet. Dat woord gebruiken we niet. Tage is mijn partner. Ik vind dat hij altijd heel tegemoetkomend is. Hij staat altijd voor haar klaar.”
“Vertel eens iets over Kathrines vriend”, verzocht Cato Isaksen.
“Over Kenneth?” Helena Bjerke had duidelijk genoeg van alle vragen. “Eigenlijk mag ik hem wel”, zei ze terwijl ze de sigaret uitdrukte in de asbak.
“Eigenlijk?”
“Ja, hij is misschien wel wat lui”, zei ze vermoeid. “Maar hij is aardig. Ik heb niets op hem tegen.”
“Dus u denkt niet dat hij iets met de verdwijning van Kathrine te maken heeft?”
“Natuurlijk niet.”
Cato Isaksen en Roger Høibakk keken haar zwijgend aan. Na een tijdje ging ze verder.
“Misschien drinkt en fuift hij wel wat te veel. Maar zo is de jeugd tegenwoordig. Kathrine was in elk geval gek op hem.”
“Maar ze is pas veertien.”
“Zo gaat dat tegenwoordig”, zei ze berustend.
“Wat voor relatie hadden ze, weet u dat?” Cato Isaksen ging wat gemakkelijker zitten.
“Ze zei dat ze niet met elkaar naar bed gingen, als u dat bedoelt.” Helena Bjerke werd opeens onzeker. “U hebt toch niets ontdekt?” Ze rechtte haar rug. “Weet u iets wat ik niet weet?”
“Nee”, zei Cato Isaksen vriendelijk.
Helena Bjerke ademde opgelucht uit. “Er is ook in het water gezocht. En in de bossen.”
“Als een kind op zo’n manier verdwijnt, is dat het ergste wat je kan gebeuren”, zei Roger Høibakk vriendelijk.
“Sinds haar verdwijning ben ik al zeven kilo afgevallen. Ik kan niet eten. Ik rook alleen maar. En ik loop de hele tijd rond. Ik zoek en zoek maar. Tage is vaak met me meegegaan, maar hij begint er genoeg van te krijgen, dus nu ga ik alleen.”
“Er worden altijd veel jongeren vermist.” Roger Høibakk zette zijn bril af.
“Op dit moment zijn het er 24”, nam Cato Isaksen het over. “De meesten komen weer terecht”, zei hij troostend.
Helena Bjerke draaide zich om en keek uit over het water van Drøbaksundet.
“Ik ben doodsbang dat ik haar opeens zal vinden als ik aan het zoeken ben”, zei ze. “Dat ze dood op de grond ligt.”
Beide rechercheurs sloegen de ogen neer.
“Ze is vast dood.” Helena Bjerke dronk haar glas leeg. “Ze is nu al zestien dagen weg. Ik heb me ziek gemeld. Ik kan niet werken.”
Cato Isaksen keek haar ernstig aan. “U werkt toch in een wasserij?”
“Ja, in City-Drøbak, het winkelcentrum.”
“Heeft Kathrine vrienden in het buitenland?”
“In het buitenland?”
“Iemand die ze bijvoorbeeld op een reis naar Zuid-Europa heeft leren kennen?”
“We zijn nog nooit in Zuid-Europa geweest. Ze is niet vrijwillig verdwenen, als u dat bedoelt. Zo is ze niet. Dan had ze een bericht achtergelaten, zodat ik me geen zorgen zou maken.”
Roger Høibakk zocht Cato Isaksens blik. De stilte werd slechts doorbroken door het geluid van auto’s in de verte en een paar vogeltjes die vrolijk kwinkeleerden in een dennenbosje.
Toen Helena Bjerke door de kamer met hen meeliep naar de buitendeur, viel Cato Isaksens oog op een kinderfoto van de vermiste dochter. Hij hing aan de wand achter de bank in een brede, bruine lijst. Haar ogen glimlachten naar de fotograaf. Ze had geen boventanden in haar mond en droeg het blonde haar in twee kleine vlechtjes.