Helena Bjerke struikelde over een wortel. De pijn was terug, dit keer in haar scheenbeen. Haar broer liep vlak achter haar. Hij had een pistool bij zich.
Plotseling dook een beeld voor haar ogen op, helder en duidelijk. Ze had het niet gedroomd. Het was een nachtmerrie. Het was de waarheid binnen de waarheid. Het was de nachtpon. Die met die kleine stipjes erop.
Daar was haar broers stem weer, precies als toen ze klein waren: ‘Ik ben jouw nachtzuster. Je mag het aan niemand vertellen. Je wilt toch wel graag een groter zusje?’
Plotseling herinnerde ze zich alles, maar ze kon zich zijn gezicht niet voor de geest halen. Ze wilde geen nachtzuster. Ze herinnerde zich zijn stem als hij haar dwong haar jurk uit te trekken, zodat hij hem kon dragen. Met name haar nachtponnen, als hun ouders sliepen. Ze herinnerde zich hoe gek hij eruitzag in de veel te kleine nachtponnen. De lichtblauwe met gele bloemen, de roze met de engeltjes en de witte, die ze ’s zomers droeg.
Opeens viel alles op zijn plaats. Grootmoeder had witte jurkjes voor hem genaaid toen hij klein was. Ze mocht hem graag mooi aankleden. Toen Alf Boris vijf jaar was, werd Helena geboren. Grootmoeder had Helena haar kleine prinses genoemd. Dat wist ze nog. Ze hadden haar in de watten gelegd, haar moeder en haar grootmoeder. Haar mooi gemaakt, poppen en sieraden gegeven. Op de achtergrond stond Alf Boris. Helemaal alleen terwijl de vrouwen om de ronde eettafel zaten met klosjes kant en gekleurde linten. Meter na meter stof. Zachte stof met een bloemenpatroon. Zon en sterren op warm, glimmend grijs, een kleine rol met turkooizen stippen. Bonbons in een doosje zonder deksel, kleine koffiekopjes. Ze kon zich herinneren hoe de stoffen heetten, moeder sprak de namen vol liefde uit. Zijde, satijn en organza. Plissé en kant. En bleef er een stukje stof over, dan vochten ze erom, Alf en zij. Zij kwam altijd als overwinnaar uit de bus. Laat haar maar, zeiden ze. Dat is niets voor jongens.
Hij was altijd een exhibitionist geweest. Hij wilde altijd aandacht hebben. Ze herinnerde zich zijn jaloezie. In zijn jeugd was hij agressief en wilde hij altijd de baas zijn over de andere gezinsleden. Maar als volwassene was hij ogenschijnlijk veranderd. Ze had ervoor gekozen om alles te vergeten. Ze wilde het niet meer weten.
De geschiedenis had zich herhaald met Kathrine. Het stralende middelpunt. Het kleine, mooie kind met het blonde haar. De mooie jurkjes waarin grootmoeder haar kleedde, totdat ze niet meer wilde en weigerde de jurken nog te dragen. Maar ze ging op haar eigen manier verder. Kocht voor enorme bedragen modekleren. Helena had zich af en toe afgevraagd waar ze het geld vandaan haalde. Maar Kathrine zei dat ze kleren overnam van oudere vriendinnen, of dat ze tweedehands kleding kocht. Helena wist niet dat ze oudere vriendinnen had. Soms was haar wilskracht van geen enkel nut. Haar lichaam liet haar in de steek. Ze wilde dat ze vanbinnen leeg was. Herinneringen waren een val waar ze voor moest oppassen. Ze had er een hekel aan om zich mooi te maken. Ze droeg nooit jurken. Ze beschouwde haar lichaam als iets wat ze moest straffen. Alles ging goed, als ze zich maar niet mooi maakte. Ze werkte met kleding, waste en reinigde kledingstukken. Af en toe, als ze met een mooi, groot tafellaken in haar handen stond, beleefde ze opnieuw de sfeer aan haar moeders eettafel. De naaisters, de geur van zijde. Als de vrouwen de stof scheurden of knipten, dwarrelden er kleine stofdeeltjes op in het licht dat door de ramen viel.
In de kelder was rechts van de trap een hok. Alf Boris zei dat hij daar zijn gereedschap bewaarde. Helena was er nooit geweest, hij deed de deur altijd op slot. Nu werd haar opeens duidelijk waar hij dat hok voor gebruikte. Misschien had ze het altijd wel geweten. Toen ze klein waren en in de flat aan Carl Berners-plass woonden, had hij dingen van haar en haar vriendinnen afgepakt. Ze vond hem gemeen, maar dacht er niet over na dat hij anders gemeen was dan de broers van haar vriendinnetjes. Een keer had hij rode stoffen schoenen gestolen van haar beste vriendin. De moeder van het vriendinnetje kwam aan de deur om te klagen, maar Alf Boris ontkende, en zoals altijd nam Brenda hem in bescherming. Hoeveel had haar moeder geweten? Helena huiverde. De zekerheid dat haar broer aardig was, maar tegelijk gevaarlijk, had altijd als een donker kleed over haar bewustzijn gelegen.
Helena Bjerke begon te trillen. Ze was altijd bang voor hem geweest. Eigenlijk was iedereen bang voor hem geweest. Vader en moeder ook. Er hing een sfeer van onbehagen om hem heen.
Helena Bjerke knipperde de tranen weg die in haar ogen stonden. Ze bleef staan. Opeens voelde ze zich sterker.
“Wat heb je met Kathrine gedaan?” vroeg ze en ze keek naar zijn groteske, belachelijk opgemaakte gezicht.
“Het begon op de avond dat ze haar enkel brak.” Haar broer keek haar onverzettelijk aan. “Ik had haar van de trap geduwd, omdat ze alweer geld wilde hebben”, verklaarde hij en hij hield zijn hand op een gekunstelde manier onder zijn kin. “Je hebt je vast wel eens afgevraagd waar ze al dat geld vandaan had? Ze chanteerde mij. Ik weigerde. Toen lachte ze en zei dat ze zou vertellen dat ik me als vrouw verkleedde. Ik had niet gedacht dat ze iets zou breken. Ze was obstinaat. Ze is altijd zo verschrikkelijk verwend. Ik probeerde haar over te halen om tegen moeder te zeggen dat ze voor haar confirmatie de sieraden of het schilderij niet wilde hebben. Dat had haar kunnen redden. Maar dacht je dat ze dat deed? Ze zei dat ze het schilderij niet mooi vond, maar dat ze het toch wilde hebben. Moeder wilde niet naar me luisteren. Van het een kwam het ander. Uit woede maakte ik de grote spiegel in de gang kapot. Moeder huilde en verschanste zich in haar eigen appartement. Kathrine gaf niet op, hoe zeer haar enkel ook deed. Ik moest haar duizend kronen geven zodat ze niets zou zeggen.” Alf Boris Moen sprak met net zo’n hoge stem als Kathrine. “‘Ik heb een pistool. Thuis in mijn kast. In de barbiedoos in de kast op mijn kamer. Ik haal het op en schiet je dood. Ik ben niet bang voor je.’ Ik dacht niet dat ze echt een wapen had. Waar zou zij een pistool vandaan moeten halen? Ze zei dat de broer van Kenneth het in militaire dienst had gestolen. Hij wilde het verkopen. Ik hoefde alleen maar naar haar kamer te gaan om het op te halen. Ze had de waarheid gezegd.”
Alf Boris Moen gooide lachend het hoofd in de nek. Door de motregen liep de mascara in strepen over zijn wangen.