Dinsdag 20 februari, acht minuten na middernacht

De vrouw zocht in het dashboardkastje naar tolgeld en deed tegelijk haar best om de auto op de weg te houden. Uit de stereo-installatie klonk het hese geluid van Chris Rea’s Winter Song. Ze vond het geld, sloeg het klepje van het dashboard dicht en stak het briefje van vijftig tussen haar dijen. Toen hield ze het stuur weer met twee handen vast.

Vlak voor de rotonde doemde het bushokje op. Het licht van de koplampen spleet de duisternis in tweeën en kleurde het grijze bushokje een paar tellen geel. Toen zwaaide het verder over de sneeuwprut en het donkere asfalt. Plotseling stond een jong meisje in de lichtbundel. Het beeld van de tiener, leunend op twee krukken, had ze niet verwacht. Ze leek een jaar of dertien. Hooguit veertien. De vrouw wierp een blik op haar horloge. Het was acht minuten na middernacht. Het meisje had halflang, blond haar. Ze droeg een beige duffel en een donkere broek. Ze stond slechts een paar seconden in het licht van de koplampen, maar toch kon de vrouw in de auto zien dat het meisje aan haar ene voet een zwarte laars met een dikke zool had en aan de andere voet gips. Ze leunde op haar krukken, haar hoofd half afgewend. Het beeld had iets verontrustends. Jonge meisjes hoorden niet midden in de nacht in bushokjes vlak voor de ingang van een tunnel te staan.

De vrouw reed de rotonde op en sloeg af in de richting van de donkere opening. Ze moest door de lange tunnel die onder het water was aangelegd naar de andere kant, naar het schiereiland Hurumlandet. Het was 20 februari. Het was één graad onder nul en er viel een lichte motregen.