Cato Isaksen wilde niet in slaap vallen. Zijn geheugen was druk aan het werk met de nieuwe informatie die hij had gekregen en hij was bang dat hem bepaalde dingen konden ontglippen. Hij besloot te wachten tot Bente naar bed was gegaan. Daarna zou hij met pen en papier aan tafel gaan zitten om alle nieuwe gegevens op te schrijven. Het was lekker om ’s nachts te werken. Zijn hoofd was dan vaak helderder.
Hij zette de terrasdeur open om wat frisse lucht binnen te laten, en de kat glipte naar buiten. Allerlei geluiden kwamen de kamer binnen: het geruis van de bomen, de auto’s in de verte. In de heldere, koude lucht klonken de geluiden beter door. Hij hoorde het geruis van het verkeer over de E18 die een stukje verderop lag. Asker was bezig een klein stadje te worden. Cato Isaksen voelde zich onrustig. Ergens in de herfstnacht was Kathrine. Levend of dood. Levend, dachten de meesten. Maar was dat ook zo? In een flits zag hij haar voor zich. Haar gezicht leek sprekend op dat van Maiken. Hij zag Maiken als hij aan de levende Kathrine dacht. Maar misschien was ze dood. Lag ze in het water en was ze vergaan tot iets onherkenbaars, of lag ze ergens in het bos, verrot en opgegeten door beesten?
De volgende morgen zou hij direct naar Vindern rijden om met Solveig Wettergren te praten, en daarna naar Akershus om Alf Boris Moen te confronteren met de informatie van mevrouw Adamsen. Dat moeder en zoon ruzie hadden gehad. Dat moeder woedend, of misschien bang, naar buiten was gelopen. Hij wilde zijn vriendin ter sprake brengen. Was Solveig Wettergren de vrouw die ’s nachts kwam en ging en die fatale avond in maart achter Brenda Moen was aan gerend? ‘Nogal fors, met stevige schoenen. Altijd stevige schoenen. En altijd met haar handtasje aan haar arm.’
Maar Solveig Wettergren was veel ouder dan Alf Boris Moen. Wat kon dat betekenen? Had ze psychotische trekjes? Was ze misschien een goede toneelspeelster? Hij dacht aan haar lieve gezicht en haar heldere, vriendelijke stem. Ze droeg graag mooie jurken en mocht zich graag anders voordoen dan ze was. Zat het zo in elkaar? Was ze iemand anders dan waar ze zich voor uitgaf? Haar beeld stond hem plotseling duidelijk voor ogen. De beschrijving van een forse, oude vrouw kwam naar voren uit een paar getuigenverklaringen die op de avond dat Brenda Moen was neergeschoten waren verstrekt. ‘Een eindje verderop liep een oude vrouw.’ Was er ook niet iemand die iets had gezegd over geelwit haar?
Cato Isaksen ging in de luie stoel zitten. De kat, die door de open terrasdeur naar binnen glipte, sprong op zijn schoot. “Je bent vies”, zei hij, afwezig aaiend over de zachte rug. Hij herinnerde zich plotseling de geur die hij maanden geleden in Brenda Moens appartement had geroken, toen Sigrid had gebeld om te vertellen dat zijn moeder was overleden. De schok had vanzelfsprekend zijn geheugen uitgeschakeld. Maar nu schoot hem de geur opeens weer te binnen. Zoet en scherp. Het luchtje kwam hem bekend voor, maar hij kon het niet plaatsen.
Hij zette de kat weer op de vloer een haalde een vel papier en een pen. Toen ging hij weer aan de eettafel zitten en begon te werken.
Zijn onderbewustzijn werkte aan het in elkaar passen van de stukjes, met het in kaart brengen van de dingen die mensen hadden gezegd en dingen die hemzelf waren opgevallen. Kleine, onbetekenende dingen, die gemakkelijk over het hoofd te zien waren. Hij schreef de nieuwe informatie op die hij had gekregen en probeerde die in te passen in de dingen die hij al wist. Toen stond hij op en liep een paar rusteloze rondjes door de kamer. Hij wilde wat muziek opzetten, maar bedacht zich, liep naar het raam en leunde met zijn hoofd tegen het koude glas. Toen sloot hij de terrasdeur. Er speelde iets door zijn hoofd. Hij deed zijn best om zich details te herinneren. Kleine opmerkingen die iemand had gemaakt. Onbeduidende dingen.
Cato Isaksen liep naar de keuken en pakte een boterham met salami. Daarna liep hij de gang in en pakte zijn autosleutels. De onrust zat in zijn lijf, en hij wist dat hij het net zo goed kon opgeven en naar zijn werk kon gaan.
Om vijf minuten over vier zette hij de auto neer in de parkeergarage onder het politiebureau. Hij bleef nog even zitten voor hij uitstapte.
Hij haalde zijn pasje door de sleuf en knikte even naar de nachtportier, voor hij de trappen op liep. Hij deed de lampen in de gang aan. De tl-buizen knipperden een paar keer voor het licht aanging. Hij liep zijn kamer binnen en zette de computer aan. Terwijl het apparaat startte, liep hij naar het raam om uit te kijken over de nachtelijke stad. Toen ging hij zitten om de getuigenverklaringen in verband met de Moen-zaak door te nemen. Er stond niets over mevrouw Adamsen. Hij liep Roger Høibakks kamer binnen en vond zijn map met aantekeningen. Hij bladerde vlug door de documenten, maar vond niet wat hij zocht. Mevrouw Adamsen had gezegd dat de jonge aspirant, de man die de bandrecorder voor hem had gehaald, haar naam op een papiertje had genoteerd, maar haar naam stond niet in de verslagen. Roger was degene die hem had vergezeld, dus was het zijn verantwoordelijkheid. Hij vloekte zachtjes voor zich uit. Op de afdeling was het vaak een punt van discussie of aspiranten wel op dit niveau konden deelnemen aan een moordonderzoek. Als dit verhoor op een eerder tijdstip had plaatsgevonden, had de zaak een totaal andere wending kunnen nemen. Cato Isaksen schreef een boos briefje aan Roger Høibakk en legde het op zijn bureau.