Cato Isaksen stopte en pakte de kaart. Hij vouwde hem uit op het stuur. Zijn blik dwaalde over het landschap. Hij probeerde te bedenken waar de bunker zich kon bevinden. Hij was niet echt bekend in deze omgeving. Op de kaart kon hij zien dat het pad er helemaal naartoe liep. De bergplaats moest tussen twee kleine heuveltjes liggen, waarschijnlijk verborgen tussen de bomen.

Hij reed een stukje verder. Het weggetje zat vol kuilen. De koplampen verlichtten de gaten die vol modderwater stonden. Het was bijna donker. De ruitenwissers stonden op de hoogste stand. Hij kwam aan het eind van de weg. Er stonden geen auto’s op de parkeerplaats. Had hij het toch bij het verkeerde eind? Hij stapte uit, vouwde de kaart op en stopte hem onder zijn jas. Regendruppels troffen hem venijnig hard in het gezicht toen hij begon te rennen.

Hij had nog maar een klein stukje over het bospad gelopen toen hij de witte Passat ontdekte, half verstopt onder de struiken. Toen wist hij dat hij goed zat. Hij pakte zijn mobiele telefoon en toetste het noodnummer in. De vrouw aan de andere kant van de lijn luisterde zwijgend toen hij vertelde wie hij was. Hij sloeg groot alarm en probeerde zo duidelijk mogelijk uit te leggen waar hij was.

Hij sloot even zijn ogen en voelde de regen op zijn gezicht. Hij haalde diep adem. Het regende nog harder. Hij begon te rennen.

Hij had geen zaklantaarn, alleen het kleine, blauwe lampje aan zijn autosleutels. Hij rende tussen de dikke bomen door, door de varens en het dichte struikgewas. Hier en daar zag hij lichtjes van boerderijen in de verte. Een hond blafte en verbrak de stilte. Opeens bleef hij staan luisteren. Hij dacht dat hij verderop iets zag bewegen. Hoorde hij iets? Hij rende naar een groepje bomen. Een doornstruik stak in zijn been. De onderste takken die vastzaten in de stof van zijn broek, lieten zich niet opzij schuiven. Toen hij toch probeerde verder te lopen, viel hij.

Hij voelde de vochtige grond op zijn wang. Het gestreepte landschap strekte zich onduidelijk voor hem uit. De donkere akkers lagen als vierkante lapjes naast elkaar.

Hij kwam half overeind. Zijn polsen deden pijn. Zijn handen zaten onder de modder. Hij bukte zich en veegde de natte klei aan zijn broek af. Hij scheen met het blauwe lampje op zijn horloge. Hij had een kwartier gelopen. Hij trok de kaart uit zijn broekband. Hij kon zich nergens op oriënteren. Geen bergtoppen of meertjes.

Hij stopte de kaart weer in zijn broek en liep op goed geluk verder.