Cato Isaksen stond voor Dressmann aan de Karl Johans-gate. Op de een of andere manier was hij langs de mensenmassa gekomen. Een vrouw in klederdracht keek hem boos aan. Hij wist niet precies hoe hij het had gedaan, maar plotseling stond hij vooraan. Iemand riep iets tegen hem. Anderen duwden tegen hem aan. Hij was bezig om de straat over te steken, maar werd tegengehouden door een politieagent. Toen zag hij haar. Opeens zag hij haar live. De kroonprinses, die in de auto zat te wuiven. De auto reed langzaam voorbij. Het duurde maar twee tellen, toen was de auto weg.

Hij zocht naar beelden in zijn geheugen. Toen hij Moen destijds door Vestmarka had gevolgd, was hij plotseling verdwenen. Cato Isaksen probeerde het beeld weer op te roepen. Hij was op zijn hurken tussen het hoge gras gaan zitten om te luisteren. Hij hoorde stemmen, en twee vrouwen kwamen de bocht om fietsen. Daarna, toen hij weer opstond en verder liep, was het landschap weidser geworden. Hij zag in de verte een paar huizen en een vrouw in een blauwe mantel. “Verdomme.” Cato Isaksen vloekte zachtjes voor zich uit. Wat deden oude vrouwen met een mantel in het bos? Het was Moen geweest. Natuurlijk was hij het geweest. Opeens wist hij het zeker. Kathrine werd daar ergens in het bos verborgen gehouden.

Op de een of andere manier was hij bij het ministerie van Defensie gekomen. Hij moest naar de kamer van Alf Boris Moen, misschien zou hij daar iets vinden. Een kaart, een beschrijving of iets anders dat kon aantonen dat hij op het goede spoor zat.

Onder het lopen probeerde Cato Isaksen Asle Tengs te bellen. Hij wist dat hij dienst had. Iemand van de meldkamer vroeg hem even geduld te hebben. Hij wachtte en wachtte, maar drukte uiteindelijk weer op de rode knop.

De mensenmassa loste op. Daardoor werd de chaos nog groter. Mensen liepen door de straten en baanden zich een weg in alle richtingen. Cato Isaksen keek weer op zijn horloge. Tien over zes. Hoe kon hij contact opnemen met de goede instanties zodat hij een kijkje mocht nemen in Moens kamer? Het was net zo moeilijk het ministerie van Defensie te betreden als een burcht.

Hij belde Ellen op haar mobiel. Ze nam direct op. Hij vroeg of ze naar hem toe kon komen. Zijn stem sloeg over. Ellen vroeg wat er aan de hand was en hij probeerde het haar zo goed mogelijk uit te leggen. Maar hij wist dat hij verward overkwam. Hij vertelde dat hij een groteske vondst had gedaan in de kelder aan de John Collets-allé. Dat hij dacht dat hij op het punt stond van een doorbraak in de Moen-zaak. Hij vertelde over de oude vrouw in het bos, over de aluminium bakjes, over de schuilplek die misschien in de bossen bij Baerum te vinden was. Hij hoorde aan Ellens stem dat hij niet tot haar doordrong.

“Maar vrouwenkleren”, zei ze rustig, “dat hoeft toch niets te betekenen? Misschien zijn het kleren van Brenda Moen. Ze maakte ook al zo’n drukte over die koningshuizen.”

Hij had geen tijd om naar haar te luisteren. “Ik ga nu naar het ministerie van Defensie en probeer in zijn kamer te komen”, zei hij luid. “Kun je me komen helpen of niet?” Van vertwijfeling omdat hij niet werd begrepen zonk de moed hem in de schoenen.

“Maar alles is daar vandaag gesloten” zei Ellen rustig.

“Dat weet ik verdomme wel”, zei hij. “Maar ik moet naar binnen.”

“Waar kan ik je eigenlijk mee helpen?”

“Ik weet bijna zeker dat Moen Kathrine gevangenhoudt in de buurt van de plek waar ik hem in vrouwenkleren heb gezien”, vervolgde hij wanhopig. Onder het praten rende hij verder.

“Maar hoe kun je dat weten?”

“Zit jij misschien ook naar die verdomde bruiloft te kijken?”

“Ja”, zei Ellen Grue boos. “Is dat soms verboden?”

“Oké”, zei Cato Isaksen boos, “laat maar zitten. Ik regel het zelf wel.” Hij drukte op de off-knop en stopte de telefoon weer in zijn zak.

Hij was bij het lichtgele gebouw met de twee kanonnen aangekomen. Hij stond even gebogen met zijn handen op zijn knieën op adem te komen. De grote deur was natuurlijk gesloten. Hij liep de trap op en belde aan. In de verte hoorde hij een muziekkorps spelen. De deur werd geopend en een portier in een wit overhemd en een donkere broek keek hem nieuwsgierig aan. Cato Isaksen pakte voor de zoveelste keer die middag zijn legitimatiebewijs. De man in het overhemd keek hem verbaasd aan. Het was een lange, slanke man van een jaar of veertig, en hij leek niet bijzonder behulpzaam.

“Ik ben belast met het onderzoek naar een moordzaak”, vertelde hij zo rustig mogelijk. “In verband daarmee moet ik in de kamer van Alf Boris Moen een aantal papieren opzoeken.”

“Moen. Hij werkt toch in het archief?”

Cato Isaksen knikte.

“Ik kan u nu natuurlijk niet binnenlaten”, constateerde de portier nuchter.

“U moet wel”, zei Cato Isaksen kil. “Het gaat om leven en dood.”

De portier grijnsde. “Ik denk het niet”, zei hij.

Cato Isaksen dacht snel na. Hoe kon hij de portier overhalen om hem binnen te laten?

De man in het witte overhemd keek hem teleurgesteld aan. “Moen is een geschikte kerel”, zei hij. “Hij werkt hier al jaren. Hij is haast nooit afwezig.”

“Ik moet naar zijn kamer.”

“Speelt u detective?” vroeg de portier sceptisch. Maar hij werd snel weer serieus toen hij zag hoe duister het gezicht van Cato Isaksen stond. “Wat is er eigenlijk gebeurd?” vroeg hij iets bereidwilliger.

“Ik kan alleen maar zeggen dat het om een moordzaak gaat”, zei Cato Isaksen vertrouwelijk. “Ik weet dat er ellenlange procedures aan te pas komen voor u mij kunt binnenlaten in Moens kamer, maar ik smeek het u. Ik heb heel weinig tijd.”

“U kunt niet wachten tot…”

“Nee!”

De portier keek hem even misprijzend aan maar hield toen de deur voor hem open en liet hem binnen. Cato Isaksen liep opgelucht langs hem heen naar de ontvangsthal. “Mag ik uw legitimatiebewijs nog een keer zien?” vroeg de portier. Cato Isaksen stond op het punt zijn geduld te verliezen. Hij pakte de kaart en legde hem met een klap op de balie. “Nu moet u me Moens kamer wijzen”, zei hij. Zijn stem weerkaatste tussen de hoge muren van het stenen gebouw. De portier bestudeerde de kaart nauwkeurig, gaf hem terug en liep voor hem uit de trappen op.

“Ik hoop niet dat ik er later problemen mee krijg”, zei hij bezorgd.

“Die krijgt u alleen als u mij niet helpt.” Cato Isaksen kon niet langer vriendelijk zijn.

‘U beseft toch wel dat ik mijn baan op het spel zet.” De portier draai de zich half naar hem om terwijl hij verder de trap opliep.

“Ik garandeer u dat dat niet gebeurt”, zei Cato Isaksen beslist.

Ze liepen door een gang met een glimmende, grijze vloer. “Hier is het archief” zei hij wijzend op een kantoorlandschap met grote schuifdeurkasten, archiefladen en planken met dossiers van de vloer tot aan het plafond.

Cato Isaksen voelde zijn wanhoop groeien. Dit had hij zich niet voorgesteld. Waar moest hij in deze ruimte beginnen met zoeken? Hij had gehoopt dat Alf Boris Moen een eigen kamer had. Dat zei hij tegen de portier, die hem vertelde dat dat ook inderdaad het geval was. “Moen heeft een eigen kamer. Daarginds.” Ze liepen verder door de gang. Moen had de eerste kamer aan de linkerkant. De portier rammelde met zijn sleutelbos en deed de deur van het slot. “Kunt u iets meer vertellen over die moordzaak?” vroeg hij nieuwsgierig.

“Helaas niet”, zei Cato Isaksen afwezig.

De kamer was vijftien vierkante meter groot. Cato Isaksen liet zijn ogen door de kamer glijden. De muren waren grijsgeverfd en voor het raam hingen neutrale, lichte gordijnen. Cato Isaksen liep naar het raam. Hij keek uit over Gamle Logen, waar de vlaggen uit hingen.

De kamer was keurig opgeruimd, er hing maar een foto aan de wand. Een zwartwit-foto van Akershus-vesting. De eenvoud stond in sterk contrast met de vergane glorie aan de John Collets-allé 51.

Cato Isaksen liep naar de boekenplanken met gemerkte dossiermappen. Ze stonden keurig naast elkaar. Hij pakte er een paar uit, keek ernaar en zette ze terug.

Hij trok aan de bureaustoel die naar achteren rolde. De laden van het bureau waren afgesloten.

“Verdomme”, vloekte hij. De portier stond hem in de deuropening misprijzend aan te kijken.

“Deze laden moeten open”, verklaarde Cato Isaksen. “Meteen.”

“Ik kan u helaas niet helpen.”

“Maak alsjeblieft zo snel mogelijk die laden open.” Cato Isaksens geduld was op. Hij wist waar hij naar zocht en hij had sterk het gevoel dat hij het hier zou vinden.

“Ik geloof niet dat ik daar sleutels van heb.” De portier keek hem vastbesloten aan.

“Kijk alstublieft of die sleutels er zijn.”

“Nu gaat u te ver.” De portier hief afwerend zijn handen op.

“Ik moet die laden open hebben!” Cato Isaksen keek hem woedend aan.

De portier schudde zijn hoofd. Cato Isaksen hield zijn blik vast. Met tegenzin draaide de man zich om en hij beende met snelle passen weg.

Cato Isaksen haalde teleurgesteld een hand over zijn voorhoofd, liep toen naar de boekenplanken en begon de mappen en losse documenten eraf te trekken. Hij bladerde koortsachtig alles door. Keek snel in de mappen en gooide ze geïrriteerd op de vloer. Hij was bijna klaar toen de portier terugkwam met een grote sleutelbos. “We zullen zien”, zei hij en hij keek misprijzend naar de puinhoop op de vloer. “Ik vind het eigenlijk wel genoeg”, zei hij plotseling bezorgd. “Ik moet hiervoor verantwoording afleggen.”

Cato Isaksen trok de sleutelbos uit zijn handen en ging het ladeblok te lijf. Hij probeerde ontelbare sleutels, voor de bovenste la eindelijk openging. Hij voelde het zweet over zijn lijf lopen.

Luid rinkelend viel de sleutelbos op de vloer. Hij pakte de bovenste la en gooide de inhoud op het bureau. “U kunt wel gaan”, zei hij zonder de portier aan te kijken. “Nee”, zei de portier verontwaardigd, “ik blijf hier.”

Cato Isaksen zocht koortsachtig tussen de brieven en documenten. Het waren lijsten van wapenmagazijnen, springstofdepots en bunkers, keurig geordend. Er waren informatiefolders en kopieën van brieven van het departement. Informatie over politieke bijeenkomsten en lijsten van personen.

“Dat mag eigenlijk niet openbaar worden”, zei de portier.

Cato Isaksen schonk geen aandacht aan hem. Hij gooide een voor een de papieren op de vloer. Op dezelfde manier nam hij de beide volgende laden door voor hij de inhoud van de laatste la op de grond gooide en op zijn hurken ging zitten.