Tage Wolter legde de lappen vlees met ervaren vingers op twee stapeltjes. Toen pakte hij een geslacht dier en legde het op zijn kant om het zaagblad in het dode lijf te zetten. Cato Isaksen en Randi Johansen bleven naar hem staan kijken. Hij had duidelijk verstand van zijn vak. ‘Die slager’ had Kathrines grootmoeder gezegd.

Tage Wolter leek verrast toen hij de beide rechercheurs ontdekte. Hij zette de machine uit en veegde zijn handen af aan zijn schort.

Cato Isaksen zei dat ze met hem moesten praten, maar Tage Wolter hief afwerend zijn hand op en wees naar de klanten.

“Het spijt me”, zei hij.

“Is er een plek waar we ongestoord kunnen praten?” Cato Isaksen keek hem ernstig aan en het werd Tage Wolter duidelijk dat de rechercheur wel eens iets belangrijks zou kunnen hebben. “Is er iets gebeurd?” vroeg hij.

“In zekere zin”, zei Cato Isaksen. Randi Johansen had zich een beetje teruggetrokken. Terwijl Cato Isaksen met Tage Wolter sprak ging zij een pak luiers en wat levensmiddelen kopen.

Tegenover de ingang van het winkelcentrum lag een klein café. De beide mannen gingen ernaartoe en namen plaats aan een hoektafeltje.

De rechercheur wist niet goed welke woorden hij moest kiezen. Daarom zei hij het precies zoals Maiken Stenberg had verteld. “We hebben gehoord dat u gluurde als uw stiefdochter onder de douche stond.”

Tage Wolter keek hem niet-begrijpend aan. “Wat zegt u?” Hij schudde even het hoofd. “Daar begrijp ik helemaal niets van.”

“Gluurde u naar Kathrine als ze een douche nam?”

Tage Wolter was bleek geworden. “Maar dat is toch waanzin”, zei hij en hij streek mistroostig over zijn kin. “Wie heeft dat verzonnen?”

Cato Isaksen stond op. “Ik haal een kop koffie voor ons”, zei hij kortaf.

Toen hij terugkwam bij het tafeltje, nam Tage Wolter het kopje aan, maar hij liet het onaangeroerd voor zich staan. Cato Isaksen dronk een paar slokken uit het groene kopje. Tage Wolter was duidelijk van streek door de beschuldiging en hield resoluut vol dat het allemaal onzin was. “Dit maakt me bang”, zei hij. “Jullie zitten op het verkeerde spoor, zo ontdekken jullie nooit wat er met haar is gebeurd.” Hij keek de rechercheur uitdagend aan.

Cato Isaksen liet hem praten.

“Dit is een ernstige beschuldiging. En ik vraag u ergens anders te zoeken.”

Cato Isaksen sloot het gesprek met de stiefvader af. Tage Wolter maakte zich vooral zorgen over het feit dat zijn vriendin met die geruchten zou worden geconfronteerd.

Randi was klaar met haar inkopen en ze namen de roltrap naar de eerste verdieping. Helena Bjerke was weer aan het werk, voorlopig voor halve dagen. Ze was bezig met een klant toen ze de rechercheurs in het oog kreeg. Ze werd duidelijk bang toen ze hen zag. Cato Isaksen glimlachte voorzichtig tegen haar terwijl ze de klant hielp. Ze legde het kleed met een eigeelachtige kleur op een plank en maakte er een briefje aan vast. Ze voelde zich opeens misselijk. Ze werd vervuld van een overbekende angst en begon te trillen. Toen liep ze naar hen toe. De beide andere werkneemsters keken haar bezorgd na.

Cato Isaksen ging recht op zijn doel af. “Wist u dat uw vriend naar Kathrine keek als ze onder de douche stond?” vroeg hij.

Helena Bjerke keek hem met grote ogen aan. “Wat zegt u?” Ze legde haar hand tegen de muur om steun te zoeken.

“Kathrine heeft dat tegen Maiken gezegd.”

“En jullie geloven dat?” Helena Bjerke begon hysterisch te lachen. “Allejezus”, zei ze. “Nu zoeken jullie spijkers op laag water.”

Cato Isaksen keek haar rustig aan. Hij kende dergelijke reacties, de lach moest alles gladstrijken en reduceren tot iets ongevaarlijks.

“Dus u gelooft het niet?”

“Nee.” Ze zei het luid. Haar schouders zakten iets naar beneden. Opeens schoot haar iets te binnen. Een duister vermoeden zeurde in haar achterhoofd. De herinnering was diffuus, maar had iets met ontkenning te maken. Een paar keer had ze het gevoel gehad dat haar moeder iets voor haar verborg, maar ze wilde niet weten wat het was.

“Jullie kenden Kathrine niet”, zei ze zachtjes. Randi Johansen constateerde verdrietig dat ze in de verleden tijd sprak.

“Ze was obstinaat en brutaal. Ze maakte een ervaren indruk. Dat provoceerde hem. Dit is gewoon iets wat ze heeft verzonnen. Wat weten jullie eigenlijk van tienermeisjes af?”

Randi Johansen wist niet goed wat ze moest antwoorden.

“Wist u dat Kenneth en zijn vriend pornoblaadjes bestelden en ze naar Tage stuurden?” Cato Isaksen sloeg zijn armen over elkaar.

“Nee”, zei ze. “Ik weet dat hij pornoblaadjes heeft, maar dat doet me niets. Ik ben niet zo’n vrouw die opkomt voor vrouwenzaken.”

“Kathrine wist ervan” zei Cato Isaksen, zonder Maiken Stenbergs naam te noemen.

“Vast wel. Ik wist dat ze met Kenneth naar bed ging. Een moeder weet zoiets. Veertien jaar, een onschuldig meisje dat nog niet eens geconfirmeerd was.” Ze snoof. “Je kon erop wachten.” Ze keek Randi Johansen even aan. “Hebt u zelf kinderen?”

Randi Johansen knikte. “Een dochtertje.”

Helena Bjerke glimlachte ironisch. “Ik heb medelijden met u”, zei ze.

Randi wilde zich verdedigen, vertellen dat haar kind niet zo zou worden, maar ze hield zich stil. Het was een onbehagelijk gevoel om een moeder zo over haar dochter te horen praten. Randi Johansen constateerde dat het verdriet van de moeder was overgegaan in woede. Door een paar kleine raampjes in het dak scheen roodgekleurd zonlicht op de vloer. Er werden langwerpige strepen op het versleten linoleum getekend.

”Tage Wolter ontkent alles”, zei Cato Isaksen toen de rechercheurs later op de dag bij elkaar zaten in een van de vergaderkamers.

“Het ergste is dat zowel zijn zwager Alf Boris als Helena Bjerke hem steunt. Helena Bjerke is ervan overtuigd dat het allemaal flauwekul is. Ze zegt dat Kathrine een levendige fantasie had. Alf Boris Moen is dezelfde mening toegedaan. Ik heb hem zojuist aan de telefoon gesproken. Dus we zijn nog net zover.”

“We moeten geduld hebben.” Randi sloeg haar ene been over het andere. “Kan het zijn dat Kathrine haar grootmoeder heeft gebeld en het een en ander heeft verteld, misschien dat haar stiefvader naar haar gluurde? Kan Brenda Moen toen de stiefvader hebben gebeld en hebben gedreigd alles aan haar dochter te vertellen, de moeder van Kathrine dus?”

Cato Isaksen keek naar Randi Johansen. “Tja”, zei hij, “daar kan wat in zitten.”

“Misschien wist Maiken Stenberg niet alles. Misschien heeft hij wel veel ergere dingen gedaan dan naar haar kijken als ze een douche nam.” Randi Johansen leunde over de tafel naar voren. “Kenneth heeft bekend dat hij en Kathrine vaak in de boot van haar stiefvader waren. Daarover staat niets in het rapport uit Follo.”

“Wat denken jullie van die Kenneth?” vroeg Preben Ulriksen die juist de kamer was binnengekomen. “Misschien heeft Kathrine hem alles over haar stiefvader verteld.”

“Ja”, zei Cato Isaksen. “We weten dat ze dat heeft gedaan, maar waarom zou Kenneth dan haar grootmoeder vermoorden? Als je dat tenminste bedoelt.”

Roger Høibakk schoof zijn stoel een stukje van de tafel, leunde naar achteren en hield zich aan de tafelrand vast. “Het klopt op de een of andere manier niet.”

De deur ging open en Ellen Grue en Ingeborg Myklebust kwamen binnen. Roger Høibakk zat nog steeds te wiebelen op zijn stoel. “Niet doen, alsjeblieft”, zei Ingeborg Myklebust scherp terwijl ze naar hem knikte. Roger liet de stoelpoten terugzakken op de vloer.

Ingeborg Myklebust leek op dreef. Sommigen noemden haar Margaret Thatcher. Cato Isaksen bleef waakzaam. Misschien omdat hij wist dat ze op de een of andere manier zijn gedachten kon lezen. Ze doorzag hem doodeenvoudig. Hij had het gevoel dat ze wist dat hij vannacht met Bente had gevrijd, en dat ze zijn gevoelens voor Ellen Grue van zijn gezicht kon aflezen.

De evaluatie kon beginnen. Iedereen wist van tevoren dat Ingeborg Myklebust met het voorstel zou komen wat minder intens aan de zaken te werken. “Het enige wat we weten, is wat voor wapen er is gebruikt”, zei Ellen Grue.

“Vergeet niet dat de zoon van het slachtoffer bij het ministerie van Defensie werkt”, zei Roger Høibakk.

“Hij heeft geen wapenvergunning”, zei Randi Johansen. “Hij is verantwoordelijk voor het archief. Hij zorgt dat alle documenten op de juiste plaats worden bewaard. Hij kopieert en schrijft brieven. Hij heeft totaal geen raakvlakken met het leger. Ik heb verschillende personen onderzocht die zowel met Brenda Moen als met Kathrine Bjerke te maken hadden. Noch de stiefvader, noch iemand in de familie van haar vriend, heeft een wapenvergunning, met uitzondering van Stein Ove Hansen, de broer van Kenneth, die zijn militaire dienst vervult bij de militaire politie op de luchthaven van Rygge.”

“Het zit allang in de planning om een gesprek met hem te voeren”, zei Cato Isaksen.

“Ik vind Alf Boris Moen nog steeds een raar type”, zei Randi Johansen. Ze vroeg of Ingeborg Myklebust een kop koffie wilde.

Ze bedankte. “Ik heb al vijf kopjes gehad”, zei ze.

“Wat hadden we zonder koffie moeten beginnen” zei Roger Høibakk.

“Theedrinken”, zei Randi Johansen gevat.

“We hebben vandaag twee drugsverslaafden verhoord”, zei Preben Ulriksen. “Een van hen had een Glock bij zich. Hij beweert dat hij in maart in een opvangcentrum heeft gewoond en dat hij zich toen zo slecht voelde dat hij wekenlang niet buiten is geweest. Maar voorlopig hebben we daarvoor nog geen getuigen kunnen vinden. De andere zegt dat hij op Majorstua was toen Brenda Moen werd neergeschoten, in een flat bij een vriendin. Zij is ook totaal verslaafd.”

“Maar lijkt het waarschijnlijk dat een van hen erbij betrokken is?” Ingeborg Myklebust stroopte de mouwen van haar groene blouse op. Ze keek de tafel rond.

“Ik geloof dat we ons niet te veel moeten vastpinnen op drugsgebruikers of anderen die toevallig in het onderzoek opduiken. Ik denk dat we ons moeten concentreren op Kathrine Bjerkes verdwijning. Ik geloof dat de moord op haar grootmoeder daarmee in verband staat.” Roger Høibakk haalde een hand door zijn gladde haardos.

“Waarom ging ze die avond zo laat nog naar buiten? Dat deed ze nooit. Zowel haar zoon als haar dochter is ervan overtuigd dat dat niet normaal was.” Randi Johansen nam een slok uit het koffiekopje dat voor haar stond.

“Iemand kan haar hebben gebeld. Gevraagd hebben om een ontmoeting.” Asle Tengs keek Randi Johansen aan.

“Zou kunnen”, zei ze. “Het ligt voor de hand om dan aan Kathrine te denken. We weten tenslotte niets van haar. Misschien leeft ze nog.”

De rechercheurs keken elkaar aan. “Haar zoon zegt dat alles normaal was die dag. Hij kwam op de gewone tijd thuis van zijn werk, maakte het eten klaar, rustte, ging een stukje lopen en toen weer terug naar huis om tv te kijken. De hele familie was natuurlijk van slag door de verdwijning van Kathrine. Juist die avond ging hij niet naar zijn zus in Drøbak. Hij geloofde dat zijn moeder sinds Kathrines verdwijning geen nacht goed had geslapen. Dus misschien was ze niet helemaal zichzelf.”

“Heeft die Alf Boris Moen geen vrienden of bekenden?” Ingeborg Myklebust schoof onrustig heen en weer.

“Daar ziet het niet naar uit”, zei Cato Isaksen.

“Nou ja. Dat is ook niet verboden. Waar ging hij wandelen?”

“Hij zegt dat hij naar Sognsvann gaat.”

“Elke dag?”

“Daar lijkt het wel op.”

“Was de relatie met zijn moeder op de een of andere manier symbiotisch?”

“Dat geloof ik niet”, zei Cato Isaksen bedachtzaam. “Misschien hadden we huiszoeking bij hem moeten doen op de avond dat Brenda Moen werd vermoord.”

“Maar daar waren geen aanwijzingen voor”, zei Roger Høibakk. “Ik heb hem op de hoogte gebracht van de moord op zijn moeder. Zo goed kon hij vast niet toneelspelen. Ik heb de indruk dat moeder en zoon een goede verstandhouding hadden. Ze woonden in hetzelfde huis, maar leidden ieder hun eigen leven. Moen at bijvoorbeeld nooit bij zijn moeder. Zij kreeg haar warme maaltijd door het wijkcentrum aan huis bezorgd.”

“Luister nu eens”, zei Cato Isaksen. “Dit wordt niets. Brenda Moen kan natuurlijk toevallig en zonder reden zijn vermoord, maar dat geloof ik niet. We moeten het onderzoek niet op een lager pitje zetten. Integendeel, alles en iedereen moet ingeschakeld worden”, zei hij resoluut tegen zijn superieur.

Afdelingschef Ingeborg Myklebust keek hem lang aan. “Ik heb ook te maken met mijn superieuren”, zei ze. “Maar ik snap het wel.”

“En we moeten niet te hard van stapel lopen, zodat we dingen die van doorslaggevende betekenis zijn over het hoofd zien”, zei Cato Isaksen. “Ik ben ervan overtuigd dat het antwoord te vinden is bij de mensen die ik in dit overzicht heb opgenomen.” Hij haalde zijn aantekeningen tevoorschijn en liet ze aan de anderen zien. Roger Høibakk lachte. “Dat ziet eruit als een stukje moderne kunst”, zei hij.

“We jagen vaak achter trollen en vampiers aan in onze jacht op de moordenaar” zei Asle Tengs rustig. “Maar meestal blijft er een heel gewoon mens over. Dat weten we allemaal.”

De anderen knikten.

“Oké”, zei Ingeborg Myklebust bedachtzaam. “Ga nog maar een tijdje op dezelfde voet door. Maar ik moet resultaten zien. Dat begrijpen jullie wel.” De rechercheurs knikten en de afdelingschef stond op en verliet de kamer.

Cato Isaksen dacht aan Asle Tengs’ opmerking over vampiers. Hij was nog lang niet klaar met André Hansen en Sølvi Steen.