Al vroeg in augustus leken de schaduwen langer te worden. Sinds midzomer waren de dagen merkbaar korter geworden, en de zon, die nog steeds haar best deed, verloor steeds meer warmte.
Vetle was zielsgelukkig toen zijn vader belde om te vertellen over het mirakel van de kat die was teruggekomen. Het bleek dat hij bij een oude vrouw was komen aanlopen. Ze had hem in haar tuin gevonden, bloedend en gewond, en hem meegenomen naar de dierenarts die de wond had gehecht. Daarna had ze hem in haar badkamer gelegd en na een paar dagen werd hij weer beter. Katten blijven waar ze het goed hebben. Het telefoonnummer van de oude vrouw stond op de halsband die ze voor hem had gekocht. Toen Cato Isaksen belde, hoorde hij dat ze de kat Minna had genoemd. Hij vertelde dat hij eigenlijk Marmelade heette en bij de hele familie bijzonder geliefd was. De vrouw vond het vanzelfsprekend jammer dat ze de kat niet kon houden, maar ze begreep goed dat de familie Isaksen hem terug wilde. Toen ze het telefoongesprek beëindigden, zei ze dat ze het asiel zou bellen voor een nieuwe kat.
Ze hadden de kamer niet geannuleerd. Tulla Henriksen zat met een mobiele telefoon te prutsen en keek Cato Isaksen treurig aan.
“Ook al annuleren we de kamer, dan krijgen we Brenda toch niet terug’, verklaarde ze. “We doen dit ook voor haar. We weten dat ze het leuk had gevonden. We vinden het allemaal heel spannend. Het Grand Hotel, compleet met balkon. Het kost heel wat, maar Solveig betaalt het grootste deel. Zoals ze zelf zegt, ze heeft er het geld voor. Ik hoop alleen dat het niet gaat regenen”, zei ze. “Kunt u mij alstublieft helpen met die telefoon? Ik ben te dom voor die nieuwerwetse dingen.”
De rechercheur nam het ding van haar over. “Wat wilt u ermee?”
‘Er kwam een bericht binnen”, zei ze. “Hij piepte in elk geval. Van Solveig, denk ik. Zij heeft me opgestookt om zo’n ding te kopen. Zij is zo knap met die nieuwe dingen. Nu stuurt ze me te pas en te onpas berichtjes.” De oude vrouw lachte haar gele tanden bloot.
Cato Isaksen glimlachte even en riep het bericht op. “Er staat dat u elkaar om halfvijf zult treffen in de konditorei bij Halvorsens”, zei hij.
“Ja, maar dat weet ik toch”, zei Tulla Henriksen gelaten. Ze pakte de telefoon en zette hem demonstratief uit. “Dat hebben we toch afgesproken. Trouwens, Alf Boris wil graag samen met ons de bruiloft van de kroonprins vieren”, zei ze. “Dat vinden we gezellig. We hadden Kathrine ook willen uitnodigen. Maar dat gaat helaas niet”, zei ze zachtjes. “Misschien vragen we Helena. Zij kan wel wat afleiding gebruiken. Ze is vast erg verdrietig, de arme stakker. Misschien hebt u wel zin?” zei ze en ze keek Cato Isaksen met haar kleine oogjes achter de dikke brillenglazen aan.
Cato Isaksen glimlachte beleefd. “Helaas, ik moet werken”, zei hij.
“Waarom bent u eigenlijk hierheen gekomen? Hebt u iets nieuws te vertellen?” Tulla Henriksen legde de telefoon afwezig op de ladekast.
De vraag verraste hem. “We houden contact met iedereen die Brenda Moen op de een of andere manier heeft gekend”, zei hij. “Zolang de zaak niet is opgehelderd, zal ik met regelmatige tussenpozen bij u op bezoek komen.”
“Is dat een waarschuwing?” flirtte ze.
Cato Isaksen glimlachte.
“We vinden het vooral leuk dat we ons op 25 augustus mooi kunnen aankleden en opmaken.” Tulla Henriksen legde haar hand op de bruine ladekast. “Het is heerlijk om je mooi te maken. De fijne stof van de japon op je lichaam te voelen. Mensen kleden zich niet mooi meer. Zulke dingen worden steeds minder belangrijk. Het is beschamend om te zien hoe jonge meisjes zich vandaag de dag kleden”, zei ze verontwaardigd. “In korte heupbroeken met een blote buik, en in nauwe, strakke truitjes die alles laten zien.” Haar ogen stonden fel.
Op weg naar huis ging Cato Isaksen bij de Rimi-supermarkt langs en kocht allemaal levensmiddelen. Toen reed hij naar zijn oudste zoon. Hij had niet vaak tijd voor dat soort dingen. Gard en Tone waren heel blij met de etenswaren en stonden erop dat hij een tijdje zou blijven, nu hij er eindelijk eens was.